Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.10.2
8.10.2 Gevolgen voor op het voorwaardelijk eigendomsrecht gevestigde beperkte rechten
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396122:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis 2013, nr. 78 en Spath 2014, p. 385. Vgl. ook Nieuwesteeg 2015, p. 172 en A.F. Salomons & G.Á.C. OrbÁn in hun noot onder HR 3 juni 2016, INS 2016, 206. Zie ook Scheltema 2017, p. 96 die spreekt van ‘automatische conversie’.
Spath 2014, p. 384-386.
Hetgeen Spath 2014, p. 386 zelf overigens ook constateert. Zie ook hiervoor in voetnoot 446 voor het Duitse recht.
Rongen 2014, p. 315.
Minder juist acht ik de opvatting dat het pandrecht ‘uitgroeit’, nu het immers het eigendomsrecht is, waarop het pandrecht rust, dat onvoorwaardelijk wordt. Zo echter Reehuis 2013, nr. 77 en HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.5. Zie in de hier verdedigde zin A-G Rank- Berenschot in punt 2.30 van haar conclusie voor HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser).
In de visie dat de koper een goederenrechtelijke aanspraak heeft en vervolgens wordt aangenomen dat hij reeds voor vervulling kan beschikken over die aanspraak, rijst de vraag wat het lot is van een op deze goederenrechtelijke aanspraak gevestigd beperkt recht, indien de voorwaarde in vervulling gaat en de koper eigenaar wordt van de zaak. Aangezien er in deze benadering van wordt uitgegaan dat deze goederenrechtelijke aanspraak (kennelijk) iets anders is dan het eigendomsrecht van de zaak zelf, is onduidelijk of en op welke wijze de op die aanspraak gevestigde beperkte rechten vervolgens op de zaak zelf komen te rusten.
Ter verklaring wordt wel gewezen op het zaaksvervangingsleerstuk.1 Ook deze oplossing lijkt geïnspireerd door het Duitse recht, waarin wordt aangenomen dat bij verpanding van het Anwartschaftsrecht door analoge toepassing van de zaaksvervangingsregel van § 1287 BGB het pandrecht bij vervulling van de voorwaarde op de verkochte zaak komt te rusten.2 Ook op dit punt blijkt dat het Anwartschaftsrecht naar Duits recht wel degelijk een aliud is. Voor het Nederlandse recht is wel een beroep gedaan op artikel 3:229 BW en artikel 3:246 lid 5 BW, zij het dat aan die bepalingen een volstrekt andere interpretatie moet worden gegeven dan gangbaar is.3 Aangenomen moet worden dat de koper door betaling zijn goederenrechtelijke aanspraak int, welke inning vervolgens uitmondt in de verkrijging van het eigendomsrecht van de zaak, waarop het pandrecht vervolgens komt te rusten. Problematisch is deze benadering in het geval dat de koper geen beperkt recht heeft gevestigd op zijn goederenrechtelijke aanspraak, maar deze heeft overgedragen. Op welke wijze de rechthebbende van de goederenrechtelijke aanspraak door vervulling van de voorwaarde eigenaar van de zaak wordt, laat zich niet construeren.4
Het bezwaar tegen deze benadering is dat ervan wordt uitgegaan dat de koper een goederenrechtelijke aanspraak heeft, die iets anders is dan een eigendomsrecht met betrekking tot de zaak. De aanspraak van de koper is echter een eigendomsrecht, zij het dat dit recht is onderworpen aan de dezelfde voorwaarde als de overdracht. Indien de koper voor vervulling van de voorwaarde een beperkt recht vestigt op dit eigendomsrecht, is helemaal geen zaaksvervanging nodig. Door vervulling van de voorwaarde groeit het eigendomsrecht van de koper uit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Het pandrecht komt niet op een ander voorwerp te rusten.5 De vervulling van de voorwaarde bewerkstelligt slechts dat het voorwerp waarop het pandrecht betrekking heeft, toeneemt, doordat het eigendomsrecht onvoorwaardelijk wordt.6 De vergelijking met de verpanding van een voorwaardelijke vordering dringt zich op. Wie een pandrecht vestigt op een (bestaande) voorwaardelijke vordering, behoudt dat pandrecht indien de vordering onvoorwaardelijk wordt. Het instrument van zaaksvervanging is daarvoor niet nodig.