Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.8.1
7.8.1 Deelneming aan de besluitvorming en geheimhouding
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174197:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Prins, Van der Mijl & Tiemeijer 2013, p. 31; Hofhuis 2013, p. 77; Ten Velden & De Dreu 2012, p. 63 e.v.; Asser 2006, p. 691. Voor argumenten voor en tegen het geheim van de raadkamer, zie Smits 2008, p. 191 e.v.
De Professionele standaarden civiele rechter uit 2016 bevatten de regel dat een zaak op een specialistisch rechtsgebied of op een aandachtsgebied wordt behandeld door een rechter die dat gebied voldoende beheerst. Als een meervoudige kamer een zaak op een specialistisch rechtsgebied behandelt, heeft ten minste een van de rechters de benodigde specialistische kennis.
Misschien is dat in raadkamers waaraan rechters in opleiding deelnemen anders. In één raadkameroverleg was de griffier rechter in opleiding, maar de leden van de meervoudige kamers waren dat niet.
Taal 2016, p. 137.
De wet bepaalt dat alle leden van de meervoudige kamer aan de besluitvorming moeten deelnemen (art. 7, tweede lid, Wet RO; zie paragraaf 4.4.2). De wetgever heeft daarmee bedoeld dat zij daadwerkelijk gezamenlijk beraadslagen en beslissen. Verder zijn alle deelnemers aan de raadkamer verplicht alles wat tijdens de raadkamer is besproken geheim te houden (art. 7, derde lid, Wet RO). Dit waarborgt een sfeer van vertrouwelijkheid waarin de leden van de meervoudige kamer zich vrij voelen hun ideeën en oordelen te uiten zonder voor repercussies te hoeven vrezen. Andere leden moeten deze ideeën en oordelen ook volop kunnen bekritiseren zodat een vrije gedachtewisseling plaatsvindt, wat de kwaliteit van de oordeelsvorming ten goede moet komen. De vertrouwelijkheid voorkomt ook self serving bias of de fundamentele attributiefout: de meervoudige kamer is een eenheid, waardoor de beslissing – hoe die ook wordt beoordeeld – toegeschreven wordt aan de hele kamer en niet aan de individuele leden.1
Met deze randvoorwaarden resteert voor rechters veel vrijheid de besluitvorming te laten verlopen op een manier die hun goeddunkt. Deze vrijheid kan hebben bijgedragen aan het waargenomen gebrek aan structuur en formaliteiten in het raadkameroverleg. Daardoor konden de deelnemers openlijk brainstormen, sparren, standpunten naar voren brengen en daar weer op terugkomen. Een dergelijke sfeer is vruchtbare grond voor een vrij en open debat met veel ruimte voor creativiteit. Een nadeel daarvan kan zijn dat tijdens de discussie de hoofdlijnen van het geschil uit het zicht raken, met tijdverlies tot gevolg, en dat de spreektijd en invloed van de leden van de kamer sterk kunnen variëren. Het eerste kwam in de raadkameroverleggen nauwelijks voor – de discussies waren juist doelgericht –, maar van een wisselend aandeel in de discussie was zeker sprake.
Verschil in inbreng tussen de leden van de raadkamer kan allerlei oorzaken hebben, zoals een uiteenlopende mate van voorbereiding, ervaring of specialisatie.2 Het kan ook afhangen van stemming en persoonlijke eigenschappen. Sommigen hebben het hart op de tong, anderen zijn bedachtzamer; sommigen gebruiken veel woorden om hun boodschap over te brengen, anderen formuleren bondig. Een wisselende inbreng is niet per definitie verkeerd, zolang alle deelnemers aan het besluitvormingsproces voldoende tot hun recht komen. In de raadkameroverleggen werden rechters zelden door hun collega’s, en dus ook niet door de voorzitter, uitgenodigd om hun visie te geven of te reageren op wat betoogd werd, hoewel artikel 7, eerste lid, Wet RO voorschrijft dat in de raadkamer hoofdelijk omvraag wordt gedaan en de voorzitter als laatste zijn oordeel geeft.3 De ongeschreven regel is dat de rechtsprekers in het raadkameroverleg uit zichzelf bijdragen aan het debat zonder op een beurt of uitnodiging te wachten. Dat mag dus van hen worden verwacht, maar als zij hun zienswijze niet of nauwelijks hebben geopenbaard, is het zinvol uitdrukkelijk daarnaar te vragen. Bij het nemen van de beslissing is dat zelfs absoluut geboden, hoewel in een van de overleggen een rechter in dat stadium werd gepasseerd (zie paragraaf 7.6.2). Uit onderzoek van Taal blijkt dat de kennisuitwisseling tussen rechters in belangrijke mate samenhangt met het vertrouwen dat zij in elkaar hebben. Zij is sterker als rechters op elkaar gesteld zijn, gemeenschappelijke doelen hebben, er plezier in hebben anderen te helpen en als ze overtuigd zijn van hun eigen kennis.4
Om optimaal van een besluitvormingsproces in meervoudige kamer te profiteren is vereist dat alle leden van de kamer zich vrij voelen en in de gelegenheid worden gesteld hun visie te geven. Op basis van het observatieonderzoek is niet met zekerheid te zeggen of de rechters die vrijheid inderdaad altijd hebben ervaren en er gebruik van hebben gemaakt als zij dat nodig achtten (zie paragraaf 7.7.2). Waarborgen tegen het gebrek aan een formele vergaderstructuur, zoals vroeger in enige mate bestond met het aan de jongste rechter voorbehouden openingswoord, zijn er weinig. De leden van de raadkamer en met name de voorzitter doen er daarom goed aan op te letten dat alle leden van de meervoudige kamer aan het woord komen en actief worden betrokken in het besluitvormingsproces.