Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2:6.3.2 Strafdoelen en straftoemeting
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2
6.3.2 Strafdoelen en straftoemeting
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468075:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij wordt opgemerkt dat als er met een eenmaal opgelegde boete geen strafdoel (meer) kan worden nagestreefd, de boete moet worden verminderd tot nihil (Hof Amsterdam 21 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2267, r.o. 4.16).
Zie o.a. Kelk/De Jong, p. 26, Enschedé/Blom, p. 10-13, Schuyt, p. 120.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige onderdeel kwamen de strafdoelen aan de orde. Zowel het strafrecht als het fiscale bestuurlijke boeterecht gaan uit van dezelfde drie ‘hoofd’-strafdoelen: vergelding, speciale preventie en generale preventie. De vraag die vervolgens opkomt, is of, hoe en in hoeverre deze strafdoelen de hoogte van de fiscale boete dicteren.1
In de strafrechtelijke literatuur kan een hoofdlijn worden onderkend met betrekking tot de relatie tussen deze drie strafdoelen en de hoogte van de straf.2 Deze hoofdlijn – die vergeldingsdoeleinden en doeleinden tot gedragsbeïnvloeding in zich verenigt (de zogeheten verenigingstheorie) – houdt in dat in het individuele geval allereerst uit oogpunt van vergelding een bovengrens voor de straftoemeting wordt bepaald. Zo vormt de vergelding niet alleen een rechtvaardiging van de straf, maar beschermt het tegelijkertijd de verdachte ‘in die zin dat deze uit hoofde van de proportionaliteit in relatie tot de ernst van de daad en het verwijt dat hem daarna mag worden gemaakt een bovengrens vormt tot waar de strafrechter bij de straftoemeting gerechtigd is te gaan’, aldus Kelk en De Jong. Het strafmaximum wordt dus binnen de gegeven wettelijke ruimte verlaagd naar de maximale mate van vergelding in de concrete casus.
Nadat de bovengrens in verband met de maximale vergelding is bepaald, is er binnen de aldus bijgestelde sanctieruimte plaats voor de toepassing van de overige strafdoelen, de generale en speciale preventie. De straf wordt dan idealiter vastgesteld op dat bedrag waarmee de beoogde gedragsbeïnvloeding van de betrokkene en de maatschappij optimaal is – niet hoger en niet lager.
Om het hiervoor geschetste model toe te kunnen passen, is het in eerste instantie van belang te onderzoeken wat de begrippen vergelding en generale en speciale preventie inhouden. Daarna kunnen deze begrippen worden geprojecteerd op het fiscale bestuurlijke boeterecht.
6.3.2.1 Vergelding6.3.2.2 Wederrechtelijkheid (vergelding) en vergrijpboeten6.3.2.3 Wederrechtelijkheid (vergelding) en verzuimboeten6.3.2.4 Verwijtbaarheid (vergelding) bij vergrijpboeten6.3.2.5 Verwijtbaarheid (vergelding) bij verzuimboeten6.3.2.6 De straftoemetingsschuld van Kelk en De Jong; ‘verminderde verwijtbaarheid’ bij verzuimboeten6.3.2.7 Generale preventie6.3.2.8 Speciale preventie