Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.7.2
7.7.2 Relativiteit is aan rechter overgelaten rechtsvraag: inbedding stap 1
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284646:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Jansen (Jansen 2019a, aant. 1.6.1) neemt tot uitgangspunt dat een geschonden norm als uitgangspunt strekt tot bescherming van alle schade die op de voet van art. 6:98 BW toerekenbaar is. De bewijslast dat de norm niet strekt tot bescherming van de schade rust daarom volgens hem op de laedens. Dit standpunt is volgens mij om twee redenen niet juist. Ten eerste mag volgens de Hoge Raad niet als uitgangspunt worden aangenomen dat een norm wel strekt tot bescherming van de geleden schade: HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique) en HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.M.B. Vranken (AstraZeneca/Amicon). Zie hiervoor §7.2.2. Ten tweede verhoudt deze benadering zich volgens mij niet goed met de notie dat het beschermingsbereik van een wettelijke norm via uitleg daarvan moet worden bepaald. Die uitleg van wettelijke normen is per definitie een rechterlijke – en dus van art. 150 Rv losstaande – bezigheid. Daarvoor kunnen overigens feitelijke gegevens soms wel relevant zijn, maar dat valt buiten de werkingssfeer van art. 150 Rv. Zie hierover hoofdstuk 2, voetnoot 85.
Zie onder meer Den Hollander 2016 nr. 114 e.v.; Boonekamp & Valk 2017, p. 296; Jansen 2019b, aant. 1.6.1 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 129.
HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:ZC2655, NJ 1998/625 (Van Rooij/Van der Sluijs).
Zie voor een recent voorbeeld HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1787, RvdW 2020/1200 (Van Leeuwen c.s./Glencore) waarin de Hoge Raad oordeelt dat de rechter de ingangsdatum van een wettelijke rentevordering zelf moet aanpassen op de in de procedure vastgestelde feiten – ook als de wederpartij de door de eisende partij gestelde (eerdere) ingangsdatum en de verschuldigdheid van de rente niet heeft betwist.
546. De literatuur neemt in de regel1 aan dat de relativiteitsvraag niet wordt beheerst door vragen van stelplicht of bewijslastverdeling. De stelplicht en bewijslast zien namelijk enkel op door partijen te stellen – voor bewijs vatbare – feiten die noodzakelijk zijn voor het intreden van het ingeroepen rechtsgevolg. De vraag tot bescherming waarvan een geschreven norm strekt is een kwestie van uitleg. De uitleg van een juridische norm is niet van enig door partijen aan te voeren feitelijk gegeven afhankelijk. De literatuur neemt in het verlengde hiervan aan dat op partijen evenmin een ‘argumenteerlast’ in negatieve of positieve richting rust. De rechter moet vanuit een ‘neutraal’ uitgangspunt door middel van uitleg vaststellen wat het beschermingsbereik van de norm is.2
547. Deze lijn is volgens mij juist. De rechter heeft op de voet van art. 24 Rv de taak de vordering te onderzoeken op grond van hetgeen partijen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd. De rechter onderzoekt of de ten processe vastgestelde feiten de vordering kunnen dragen, ook indien partijen die rechtsregels niet of onjuist naar voren hebben gebracht.3 Hij vult die rechtsgronden desnoods ex art. 25 Rv zelf aan. Tot dit onderzoek behoort ook, of zelf juist, de uitleg van de ingeroepen geschreven norm. Hetzelfde zou ik willen aannemen voor de vaststelling van doel en strekking van een ongeschreven norm of een subjectief recht. Leidt die norm niet tot het ingeroepen rechtsgevolg, dan moet de rechter de vordering afwijzen.4 De rechter moet dus steeds zelfstandig de vraag beantwoorden waartegen de norm – in mijn systematiek – duidelijk niet wil beschermen (stap 1).