RvdW 2022/168:Herziening. Persoonsverwisseling. Drie zaken (A: art. 2 onder B Opw, B: weerspannigheid art. 180 Sr en C: art. 2 lid 7 sub 2 APV Amsterdam). HR constateert dat handtekeningen die op naam van aanvrager als verdachte zijn geplaatst onder p-v’s verhoor in zaken A en B, gelijkenis vertonen met handtekeningen die op naam van aanvrager als verdachte zijn geplaatst in zaken waarin door Matching Autoriteit en politieverbalisant persoonsverwisseling is vastgesteld. Die handtekeningen in zaken A en B wijken af van de handtekening van aanvrager als verdachte onder een p-v verhoor in een andere zaak en van de daarop gelijkende handtekening op ID-bewijs van aanvrager. Geeft steun aan stelling dat in zaken A en B sprake is geweest van persoonsverwisseling. Daarbij betrekt HR dat niet blijkt dat in zaken A en B de identiteit van de verdachte op andere wijze is vastgesteld dan door mondelinge opgave van de verdachte en — in zaak B — door getoond ID-bewijs en dat uit onderzoek naar persoonsverwisseling volgt dat ook bij een andere gelegenheid door een andere persoon dan aanvrager gebruik is gemaakt van een op naam van aanvrager gesteld identiteitsbewijs. M.b.t. zaak C houdt aanvraag in dat bewezenverklaarde feit is gepleegd in dezelfde periode als feiten in de zaken waarin Matching Autoriteit persoonsverwisseling heeft vastgesteld. Het dossier in zaak C is vernietigd, zodat handtekeningenvergelijking niet mogelijk is. Gelet op samenhang met zaken A en B, de door Matching Autoriteit gevonden gegevens en consequenties daarvan in vijf andere zaken waarop herzieningsaanvraag oorspronkelijk ook betrekking had, komt HR tot het oordeel dat de aanvraag ook in zaak C gegrond is. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst de drie zaken naar hof. CAG: anders.