Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.4.2
II.5.4.2 De oorspronkelijke visie
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285071:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Burke verwoordde al in 1774 treffend de idee van deze vorm van representatie: ‘Parliament is not a congress of ambassadors from different and hostile interests, which interests each must maintain, as an agent and advocate, against other agents and advocates; but Parliament is a deliberative assembly of one nation, with one interest, that of a whole – where not local purposes, not local prejudices ought to guide, but the general good, resulting from the general reason of the whole. You choose a member, indeed; but when you have chosen him he is not a member of Bristol, but he is a member of Parliament.’, zie: Burke 1887, p. 95-96; Loots 2004, p. 21.
Bijvoorbeeld in artikel 50 en 67 lid 3 Gw. Zie hierover: Schutgens & Sillen, RM Themis 2017-4, p. 194-195.
Het is plausibel dat sommige onderwerpen, die een grondwetsherziening betreffen, de kiezer wél zullen interesseren. Denk aan een bepaling over het Koningshuis.
Zie ook: Hoge Raad 18 november 1988, AB 1989, 185 (Arubaanse verkiezingsafspraak).
Ten tijde van de grondwetsherziening van 1848 was de dominante visie op representatie een andere dan we tegenwoordig veelvuldig tegenkomen. Binnen die visie moeten we het parlement niet zien als een verzameling van vertegenwoordigers met verschillende (lokale) deelbelangen. Het parlement is een plaats waarin gedelibereerd wordt ten behoeve van het algemeen belang.1 Hoewel deze vorm van representatie wat ouderwets kan doen klinken, ligt deze nog wel deels besloten in het huidige grondwettelijke stelsel.2 Een consequentie van deze visie op representatie is dat geen sprake hoeft te zijn van een getrouwe weergave of afspiegeling van de visie van het electoraat in het parlement (in tweede lezing). Het parlement neemt immers een onafhankelijke positie in en maakt (idealiter) een afweging ten gunste van de hele bevolking. Deze visie op representatie gaat uit van distantie tussen het (onafhankelijke) parlement en het electoraat.
In het kader van dit eerste perspectief op representatie luidt het antwoord op de bovenstaande vraag: neen. Het is weinig bezwaarlijk dat grondwetsherzieningen niet op de voorgrond staan bij verkiezingen en ondergesneeuwd raken door andere verkiezingsthema’s.3 Het parlement maakt uiteindelijk een onafhankelijke afweging. Wat de kiezer ook van een grondwetsherziening vindt (of niet vindt). Het electoraat verkiest eerst en vooral parlementsleden die alle belangen in acht hebben te nemen en het voorstel in tweede lezing moeten heroverwegen.
De eerste visie op representativiteit sluit nog steeds aan bij het geldende recht. Artikel 67 lid 3 Gw bepaalt dat de leden stemmen zonder last. De kiezer stemt op een volksvertegenwoordiger (die weliswaar deel uitmaakt van een lijst), maar die – na verkiezing – mede gelet op jurisprudentie een vrij mandaat heeft.4 Dit vrije mandaat stelt de volksvertegenwoordiger in staat om zijn werkzaamheden onafhankelijk van zijn partij en hun kiezers in te vullen. Artikel 50 Gw bepaalt vervolgens dat de Staten-Generaal het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigen. Deze bepaling staat in verband met artikel 67 lid 3 Gw, omdat niet de particuliere belangen en opvattingen van de partij of de kiezer behartigd moeten worden, maar het algemeen belang. De kiezer kan invloed uitoefenen door zijn of haar particuliere opvattingen mee te laten wegen in zijn of haar stem op een kandidaat, maar uiteindelijk neemt het onafhankelijke parlement de beslissing. Op dit laatste ligt in deze visie het accent.