Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.2.0
7.4.2.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284598:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Ik noem bijvoorbeeld Heilhof en Neerhof 2008, 51-52; Van Maanen 2013, p. 153-154; Verheij 2014, onder 3 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019 nr. 142 (zij meent echter dat deze lastigheid slechts een praktisch bezwaar is).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 632 (TM).
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or). Zie daarover bijv. Den Hollander 2016, p. 195-202 die uitvoerig op basis van de wetsgeschiedenis van de wet beschrijft. Zie verder bijv. J.B.M. Vranken in zijn annotatie onder HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576 (Iraanse Vluchtelinge), onder 9 sub (iii) en Van Maanen 2013, p. 153.
HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987, NJ 2017/372, m.nt. J. Spier (Zalco).
HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique).
Duidelijke gevallen komen naar mijn inschatting – ik heb het niet onderzocht – niet zo snel voor de rechter. Dat is immers geldverspilling. In de in de vorige voetnoten genoemde gevallen was de reden voor de gang naar de rechter dan ook volgens mij eerder gelegen in het zeer omvangrijke belang (Vie d’Or en Pfizer/Cosmétique) of het eigen initiatief van de Hoge Raad (in Zalco stond de relativiteit noch bij het hof noch in cassatie tussen partijen ter discussie). Het zijn in de regel de twijfelgevallen die de rechter bereiken.
Opvallend is overigens dat Sieburgh juist dit bezwaar gebruikt om te verdedigen dat art. 6:98 BW niet gemist kan worden. Het kan volgens haar betwijfeld worden “of de strekking van de overtreden norm steeds een voldoende scherp criterium is voor de vaststelling van de als gevolg van een normschending aan de schuldenaar toe te rekenen schade” (Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 144). Het is echter onduidelijk welke rol zij nog ziet voor 6:98 BW als de relativiteit al positief de vraag beantwoordt welke persoon, welke schade en welke intredingswijze de norm beschermt.
Bloembergen 1965, nr. 122.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1598, NJ 2007/504, m.nt. M.R. Mok (Gemeente Barneveld/Gasunie).
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda).
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, AB 2020/1, m.nt. C.N.J. Kortmann (Schietincident Alphen a/d Rijn).
474. Ten tweede stelt de positief vormgegeven relativiteitsleer, althans in twijfelgevallen, te hoge eisen aan het haar ter beschikking staande instrumentarium om de persoonlijke, zaaks- en ontstaansrelativiteit van de geschonden norm positief vast te stellen. De leer leunt daartoe namelijk in sterke mate op de uitleg van de norm, aangevuld met andere – ogenschijnlijk soms willekeurige – argumenten. Het uitleginstrument biedt daartoe niet steeds een voldoende adequaat middel. Evenmin is duidelijk waarin de overige aangedragen argumenten hun grondslag vinden. Ik licht dit toe.
475. Het zichtbaarst is het hier besproken bezwaar bij de vaststelling van de relativiteit van een ongeschreven norm of bij rechtsinbreuk. Dit kwam in §7.2.3 al aan de orde. Een wettekst of een totstandkomingsgeschiedenis ontbreken in die gevallen. Men valt daarom terug op datgene waartegen de norm in abstracto wil beschermen alsmede de algemene noties en beginselen die achter de norm schuilgaan. Bij rechtsinbreuken zijn de aard, inhoud en strekking van het geschonden recht bepalend voor de relativiteitsvraag (zie hiervoor §7.2.3.1 en 7.2.3.2). Vaak zal het op basis daarvan wel tamelijk evident zijn of de norm de gelaedeerde wel of niet tegen door hem geleden schade wil beschermen. Daar levert de relativiteit geen problemen op. Ik geef een voorbeeld: Jan bouwt ten onrechte een deel van zijn schuur op de grond van Piet. Als gevolg daarvan kan Piet op dat stuk grond geen tulpen meer verbouwen en derft hij winst. Het is dan evident dat het geschonden recht strekt tot bescherming van die vermogensschade. Het geschonden eigendomsrecht wil Piet immers juist de mogelijkheid bieden zijn grond te exploiteren.
476. Naar mate de zaak complexer wordt, wordt het echter lastiger op een inzichtelijke wijze vast te stellen of de precieze schade en de wijze van intreden daarvan beschermd worden door de geschonden ongeschreven norm of het geschonden recht. Er zijn dan geen duidelijk aanwijsbare aanknopingspunten meer die daarover werkelijk informatie bieden. Ik geef een voorbeeld. Jan valt in een kelderluik dat ten onrechte zonder waarschuwing is blijven openstaan. Hij breekt daarbij een botje in zijn voet. Monter stapt hij alsnog in de auto, maar hij blijkt het rempedaal niet meer snel genoeg te kunnen indrukken. Hij rijdt zijn auto daardoor total loss. Verder kan hij als gevolg daarvan niet meer werken. Hierdoor lijdt hij zowel zaakschade aan de auto als inkomensschade. Het is volgens mij niet lastig vast te stellen dat de ziekenhuiskosten voor genezing van het gebroken botje voor vergoeding in aanmerking komt. De Kelderluiknorm wil tegen dat type schade naar haar aard beschermen. Maar strekt de Kelderluiknorm nu ook tot bescherming tegen de zaakschade aan de auto en de inkomensderving? De positieve drieledige relativiteitsleer verwacht daarop strikt genomen een antwoord, maar reikt daarvoor geen hanteerbare instrumenten aan. Men heeft daarom de neiging het drieledig relativiteitsvereiste stilzwijgend te laten varen en de vraag even stilzwijgend in de redelijke toerekening te stoppen.1
477. Bij wetsschendingen verlangt de relativiteitsleer dat allereerst via uitleg vastgesteld wordt of de norm voldoet aan de drieledige relativiteitseis. In de literatuur wordt breed onderkend dat dit soms tot een vrijwel onmogelijke opgave leidt.2 Voor de ontwerpers van het BW was dit zelfs het belangrijkste argument om de relativiteitsleer negatief te formuleren (zie §7.2.1).3 De wetgever kan nu eenmaal niet volledig voorzien welke personen zich op de norm zullen beroepen en welke schadetypen en wijze van schadeintreding zich als gevolg van een schending van een door hem opgestelde norm zullen of kunnen voordoen. Vaak heeft de wetgever slechts in zijn algemeenheid een bepaald belang op het oog dat volgens hem bescherming verdient. De wetgever zal zich willen richten op het vormgeven van een regeling met het oog op het beschermen van die belangen. De aandacht zal meestal niet uitgaan naar de situatie dat door schending daarvan schade ontstaat. De wetsgeschiedenis, de wetstekst, het systeem van de wet en andere uitleginstrumenten zullen daarom veelal slechts in hun algemeenheid een beeld kunnen geven wat wel en niet onder het beschermingsbereik valt van de norm. We zagen al dat de Hoge Raad, mogelijk vanwege het ontbreken van uitlegaanknopingspunten, andersoortige argumenten zoekt om de positieve drieledige relativiteit vast te stellen.
478. Het voorgaande wil uiteraard niet zeggen dat het via uitleg ingeklede relativiteitsinstrument geen enkel nut heeft. Integendeel, bij schending van wettelijke normen zullen de uitleginstrumenten vaak wel voldoende aanknopingspunten bieden voor een beslissing op basis van de relativiteit. Op basis van de wet en de parlementaire geschiedenis is bijvoorbeeld wel duidelijk dat de toezichtsverplichtingen van de Verzekeringskamer op levensverzekeraar Vie d’Or op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf (Wtv) mede ertoe strekken de verzekerden te beschermen tegen misgelopen uitkeringen als gevolg van een faillissement van de verzekeraar. De Wtv was namelijk mede opgezet om faillissementen van verzekeraars met het oog op die financiële belangen van de verzekerden zoveel mogelijk te voorkomen.4 Eveneens is duidelijk dat de toezichtsverplichtingen van de Arbeidsinspectie naar aanleiding van een uitgevaardigd algemeen asbestverbod mede zien op voorkoming van asbestschade bij werknemers van onder toezicht staande bedrijven.5 Waartoe strekken die normen immers anders? Verder is ook zonder al te veel inspanningen door middel van uitleg aan de hand van de parlementaire geschiedenis vast te stellen dat de Wet op de geneesmiddelenvoorziening (Wgv) – en de daaraan ten grondslag liggende Europese richtlijnen 65/65/EEG en 2001/83/EG – enkel de volksgezondheid willen beschermen en niet de concurrentiepositie van medicijnproducenten. De producenten kunnen daarom een overtreding van die wet niet jegens een andere producent inroepen ter vergoeding schade die zij lijden vanwege een verslechterde concurrentiepositie door die overtreding.6
479. Maar juist in twijfelgevallen – die de grootste kans maken voor de rechter komen –7 zullen de uitleginstrumenten geen concreet antwoord bieden op de vraag of de norm in de drie vereiste opzichten wil beschermen.8 De uitkomst van de relativiteitstoets is dan vanwege de overvraging van het instrumentarium ondoorzichtig, op het oog willekeurig en daardoor niet overtuigend. Bloembergen legt dit in zijn proefschrift kernachtig bloot:9
“Maar iedere interpretatie heeft haar grenzen; vroeg of laat komen wij op het punt, waarop interpretatie van de overtreden norm ons geen enkel licht kan verschaffen omtrent de vraag of de benadeelde ter zake van een bepaalde schade een vordering uit art. 1401 [oud] BW heeft. En als wij in zo’n geval toch zeggen, dat uit de strekking van de overtreden norm volgt, dat aan de benadeelde wel of niet een vordering toekomt, dan kan men zulks moeilijk anders dan tovenarij noemen. De beslissing is dan immers in werkelijkheid niet genomen op grond van een door middel van interpretatie blootgelegde strekking van de norm.”
480. Het voorgaande laat zich aan de hand van een drietal arresten goed illustreren. Allereerst behandel ik het geval Barneveld/Gasunie.10 Daarna komen de zaken Duwbak Linda11 en Schietincident Alphen a/d Rijn12 aan de orde.