Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9.4
8.9.4 Derdenbeschermingsperikelen
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396147:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 8.5.1.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 572.
Raiser 1961, p. 38, Serick 1963, p. 270, Georgiades 1963, p. 131-132, Larenz 1986, p. 120, J. Hager, Verkehrsschutz durch redlichen Erwerb, München: C.H. Beck 1990, p. 315-319, Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 86, Wieling 2006, p. 808-809, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 847 en MünchKomm- BGB/Oechsler 2017, § 932 BGB, Rn. 20. Zo ook (met een wat andere redenering) Bülow 2012, p. 256.
E.F. Verheul, ‘De rechtvaardiging voor de relativering van de levering c.p. door een bezitter: een kwestie van perspectief’, GrOM 2016, p. 68-69.
Zo ook Scheltema 2003, p. 365-366.
Zie – met verschillende nuances – bijv. Raiser 1961, p. 38, Serick 1963, p. 271, Rinke 1998, p. 197-99, Wieling 2006, p. 810 en Bülow 2012, p. 257.
Zie Von Tuhr 1914, p. 59. Dat ligt anders bij de zogenoemde constitutieve rechtsverkrijging, zoals de vestiging van een beperkt recht. De vestiging schept immers iets wat voorheen nog niet bestond, maar tegelijkertijd is wel sprake van rechtsafleiding. Zie Von Tuhr 1914, p. 62, G. Diephuis, Het Nederlandsch burgerlijk regt. Tweede deel, Groningen: Wolters 1885, p. 31-32 en Suijling 1948, p. 312-313. Vgl. ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 201 onder verwijzing naar T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 404. Hoewel de rechtsgevolgen van de overdracht onder voorwaarde wel iets weg hebben van de constitutieve rechtsverkrijging – er wordt immers een voorwaardelijk eigendomsrecht in het leven geroepen, dat voorheen nog niet bestond – is niettemin sprake van een translatieve wijze van rechtsverkrijging. Het ontstaan van het voorwaardelijk eigendomsrecht geschiedt namelijk enkel als uitvloeisel en bijproduct van de overdracht van de zaak zelf, welke overdracht zonder meer een translatieve rechtsverkrijging is. Vgl. Stolz 2015, p. 949,i.h.b. voetnoot 153. Zie ook Von Tuhr 1914, p. 68 die spreekt van ‘eine der konstitutieven Übertragung verwandte Erscheinung.’ In het in de hoofdtekst behandelde geval is echter geen sprake van een overdracht onder voorwaarde, als gevolg waarvan een voorwaardelijk eigendomsrecht door afsplitsing ontstaat, maar van een onvoorwaardelijke overdracht van een voorwaardelijk eigendomsrecht, hetgeen een translatieve rechtsverkrijging is, die niet kan plaatsvinden als het desbetreffende recht niet bestaat.
Zie ook de bedenkingen van Harke 2006, p. 387-388.
Baur/Baur & Stürner 2009, p. 847 (alwaar dit resultaat overigens ook wordt aanvaard).
Zie hierover in dit verband met name Minthe 1998, passim, Rinke 1998, p. 189-200 en Wilhelm 2010, p. 913-914.
Zie hiervoor in paragraaf 8.4.5.
Indien de vervreemder die een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde met betrekking tot een roerende zaak overdraagt, niet beschikkingsbevoegd is met betrekking tot dit recht, komt de toepasselijkheid van artikel 3:86 BW in beeld. De derdenbeschermingsproblematiek bij de overdracht van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde moet worden onderscheiden van de hierboven reeds behandelde vraag naar derdenbescherming bij een voorwaardelijk overdracht.1 In het daar besproken geval is sprake van een voorwaardelijke overdracht van de (onvoorwaardelijke eigendom van de) zaak door een beschikkingsonbevoegde, terwijl het in deze paragraaf gaat om de onvoorwaardelijke overdracht van een voorwaardelijk eigendomsrecht door een beschikkingsonbevoegde.
Of derden in een dergelijk geval kunnen worden beschermd tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder is in de Duitse literatuur buitengewoon omstreden. Door een deel van de literatuur wordt de mogelijkheid van derdenbescherming bij de overdracht van het Anwartschaftsrecht geheel ontkend. Volgens deze auteurs is de rechtvaardiging van derdenbescherming gelegen in de rechtsschijn die uitgaat van de feitelijke macht (Besitz) van de beschikkingsonbevoegde vervreemder. Derden mogen in het algemeen op deze rechtsschijn afgaan, omdat de feitelijke macht het vermoeden van eigendom schept. Beweert de vervreemder dat hij rechthebbende is van een Anwartschaftsrecht, dan heeft hij daarmee de Rechtsschein van de feitelijke macht de grond in geboord, nu hij zelf te kennen geeft dat hij geen eigenaar is. Een derde die desalniettemin afgaat op de bewering van de vervreemder dat hij rechthebbende is van het Anwartschaftsrecht vertrouwt uitsluitend op ‘bloûes Gerede’ van de vervreemder, welk vertrouwen wordt niet beschermd.2 In de schaarse Oostenrijkse literatuur over deze problematiek wordt een vergelijkbaar standpunt verdedigd.3
Een ander deel van Duitse de literatuur aanvaardt de mogelijkheid van derdenbescherming bij de overdracht van een Anwartschaftsrecht wel.4 Voor het Nederlandse recht moet naar mijn mening eveneens worden aangenomen dat bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder mogelijk is bij de overdracht van een voorwaardelijk eigendomsrecht. De categorische uitsluiting van de toepasselijkheid van artikel 3:86 BW bij de overdracht van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde past niet bij de omstandigheid dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als uitgangspunt niets anders is dan een gewoon eigendomsrecht en dat op de overdracht van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde dezelfde regels van toepassing zijn. Ook een a maiore ad minus-redenering pleit voor de bescherming van de verkrijger bij de overdracht van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Als een beschikkingsonbevoegde vervreemder in staat is om de verkrijger eigendom van de zaak te verschaffen op grond van artikel 3:86 BW, valt niet goed in te zien waarom het artikel niet van toepassing zou zijn indien de vervreemder hem geen onvoorwaardelijke eigendom, maar slechts een voorwaardelijk eigendomsrecht overdraagt. Dat (de rechtvaardiging van) artikel 3:86 BW niet zou zijn toegesneden op de overdracht van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, acht ik geen overtuigend bezwaar. De rechtvaardiging van die bepaling is immers niet zozeer gelegen in de rechtsschijn van de feitelijke macht van de vervreemder, die hem als rechthebbende legitimeert, maar in het feit dat de vervreemder in staat is de handelingen te verrichten die nodig zijn om de verkrijger datgene te verschaffen wat de vervreemder aan hem heeft voorgespiegeld, waardoor bij de verkrijger het vertrouwen wordt gewekt dat de vervreemder inderdaad beschikkingsbevoegd is.5
Men zou daartegen kunnen aanvoeren dat het voorwaardelijk karakter van het eigendomsrecht zich niet manifesteert in de relatie van de vervreemder tot de zaak en dat de verkrijger in zoverre dus slechts vertrouwt op ‘bloûes Gerede’ van de vervreemder. Op zichzelf is het juist dat in het algemeen voor de toepasselijkheid van artikel 3:86 BW meer is vereist dan dat de verkrijger vertrouwt op uitlatingen van de vervreemder. Aangezien de derdenbescherming niet slechts tussen partijen werkt, maar een derde berooft van zijn goederenrechtelijke aanspraak, moet dit vertrouwen gerechtvaardigd worden door méér dan enkel beweringen van de vervreemder: er moet aanleiding bestaan om te veronderstellen dat datgene wat de vervreemder beweert, ook met de werkelijkheid overeenstemt. Zulke situaties laten zich bij de overdracht van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde echter zonder meer voorstellen. Indien de koper onder eigendomsvoorbehoud zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bijvoorbeeld eerst – als beschikkingsbevoegde – aan een derde overdraagt door middel van een levering c.p. en de koper vervolgens datzelfde recht overdraagt aan een vierde, waarbij de levering gepaard gaat met verschaffing van de feitelijke macht over de zaak, valt mijns inziens niet goed in te zien waarom de vierde niet in aanmerking zou moeten kunnen komen voor derdenbescherming.6 Gerechtvaardigd lijkt mij zodanige bescherming in het bijzonder indien de verkrijger te goeder trouw het bestaan van het voorwaardelijk eigendomsrecht heeft onderzocht door de aan de overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst te onderzoeken en eventueel zelfs navraag heeft gedaan bij de verkoper over het voortbestaan van de koopovereenkomst. Het lijkt mij dan ook te verstrekkend om de mogelijkheid van derdenbescherming a priori in alle gevallen te ontkennen. Door middel van het vereiste van de goede trouw kan afdoende rekening worden gehouden met het bijzondere karakter van het eigendomsrecht en wordt verhinderd dat de derde die enkel vertrouwd op ‘bloûes Gerede’ wordt beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid.
Dergelijke argumenten gelden alleen voor de overdracht van een bestaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde door de niet-rechthebbende. Door sommige Duitse auteurs wordt betoogd dat een derde ook beschermd zou moeten worden indien de vervreemder zich voordoet als rechthebbende van een voorwaardelijk eigendomsrecht, terwijl een zodanig recht in werkelijkheid niet bestaat.7 Een dergelijk geval kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een huurder van een zaak zich jegens een derde voordoet als een koper onder eigendomsvoorbehoud en vervolgens diens beweerdelijke voorwaardelijk eigendomsrecht overdraagt. Daarmee gelijk te stellen is het geval waarin de rechthebbende van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde weliswaar voorwaardelijk eigenaar is, maar onjuiste uitspraken doet over de modaliteiten van het voorwaardelijk eigendomsrecht. Wanneer de koper bijvoorbeeld beweert dat het uitgroeien van diens voorwaardelijk eigendomsrecht uitsluitend afhankelijk is van het betalen van de koopprijs, terwijl in werkelijkheid een verbreed eigendomsvoorbehoud is overeengekomen, bestaat het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper niet op de wijze zoals door hem wordt beweerd. In de Duitse literatuur bestaat een neiging om de derde vanwege het Abstraktionsprinzip in bescherming te nemen tegen de verbintenisrechtelijke ballast die is verbonden aan het Anwartschaftsrecht, maar waarvan de derde onkundig is.
Hier wreekt zich echter het karakter van de bescherming van artikel 3:86 BW. Artikel 3:86 BW beschermt de derde te goeder trouw tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, maar niet tegen het niet-bestaan van het recht dat wordt overgedragen. Dat ligt besloten in de omstandigheid dat artikel 3:86 BW een overdracht als geldig aanmerkt door het gebrek in de beschikkingsbevoegdheid te helen. Een overdracht veronderstelt een voorwerp dat wordt overgedragen. Bij een translatieve rechtsverkrijging, zoals overdracht, volgt de verkrijger de vervreemder op in een bestaand recht.8 Als het voorwerp van de overdracht niet bestaat, kan de overdracht niet slagen. Door een overdracht kan geen niet-bestaand recht in het leven worden geroepen.9
In de Duitse literatuur worden de consequenties van de hier verdedigde opvatting door sommigen wel ‘verblüffend’ genoemd.10 Tot op zekere hoogte is dat inderdaad het geval. Voor een derde te goeder trouw zal immers niet altijd duidelijk zijn of sprake is van een bestaand of niet-bestaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Vanuit het perspectief van de verkrijger verschillen beide situaties niet. Bovendien oogt het vreemd dat de derde te goeder trouw wel zou worden beschermd als de vervreemder van een niet-bestaand voorwaardelijk eigendomsrecht zou hebben beweerd dat hij onvoorwaardelijk eigenaar is. Toch volgt deze conclusie onomstotelijk uit het feit dat geen niet-bestaande rechten door artikel 3:86 BW in het leven kunnen worden geroepen.
Bij de Duitse pleidooien voor een verdergaande derdenbescherming moet bovendien worden bedacht dat de nadruk op de bescherming van derden in geval van een overdracht van het Anwartschaftsrecht in de Duitse literatuur in belangrijke mate wordt aangewakkerd door het Abstraktionsprinzip.11 Op grond van dat beginsel zijn in het Duitse recht goederenrechtelijke rechten in beginsel ‘abstrakt’ vormgegeven, in die zin dat verbintenisrechtelijke rechtsgevolgen geen invloed hebben op het voortbestaan of toebehoren van goederenrechtelijk rechten.12 Het Abstraktionsprinzip is daarbij met name ingegeven door de wens om derden niet te confronteren met verbintenisrechtelijke relaties waar zij buitenstaan. Er bestaat een neiging om dit gebrek aan abstractheid van het Anwartschaftsrecht te compenseren door een ruimhartige aanvaarding van derdenbescherming. Voor het Nederlandse recht bestaat daartoe minder aanleiding.