Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.6.1
8.6.1 Vernietiging van het bezwarende besluit
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362925:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 4 juni 2020, zaak C-430/19, (SC C.F.), punt 37.
HR 16 september 2016, nr. 15/01894, NTFR 2016/2382, BNB 2016/208, r.o. 4.2; Zie ook: HR 26 juni 2015, nr. 10/02774, NTFR 2015/1928, BNB 2015/186, r.o. 2.3.2, HR 10 juli 2015, nr. 14/04046, NTFR 2015/2115; HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.7.3.
HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 79.
HvJ 14 februari 1990, zaak C-301/87, (Frankrijk/Commissie), punt 31.
De enige uitspraak waarin besproken wordt dat de mogelijkheid bestaat een besluit partieel te vernietigen is: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 januari 2018, nr. BRE 16/3635, ECLI:NL:RBZWB:2018:429, r.o. 4.16.
HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.7.4; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 januari 2018, nr. BRE 16/3635, ECLI:NL:RBZWB:2018:429, r.o. 2.16.
Zie bijvoorbeeld: HR 19 februari 2016, nr. 14/06588, NTFR 2016/753, BNB 2016/85, r.o. 2.2.2 en 2.3.2.
HR 19 februari 2016, nr. 14/06588, NTFR 2016/753, BNB 2016/85.
HR 9 september 2016, nr. 15/02022, ECLI:NL:HR:2016:2029, FutD 2016-2182 (81 RO); onderliggende arrest: Hof Amsterdam, 26 maart 2015, nr. 12/01146, ECLI:NL:GHAMS:2015:2160, FutD 2015-1482.
Mennes en Wolkers 2015, onder ‘Gevolgen van het vernietigen van de aanslag’, Zie ook noot Van Casteren bij HR 2 juni 2017, nr. 16/03921, BNB 2017/159, onder 6; Baron 2016, onder 6; Vliet, van, 2009 onder 5.2.4.4 en Slooten, van, 2018, p. 24 en HR 26 juni 2020, nr. 19/03226, V-N 2020/31.20, onder 3.5.5.
HR 11 juli 2014, nr. 13/02765, NTFR 2014/2024, BNB 2014/232; zie ook toepassing hiervan in Rechtbank Noord-Holland 2 maart 2021, nr. AWB 17/5657, ECLI:NL:RBNHO:2021:1993.
Het Hof van Justitie heeft in zaken waarbij een schending van het kenbaarmakingsbeginsel is geconstateerd, geoordeeld dat vernietiging pas mogelijk is indien wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium. In 2020 heeft het Hof van Justitie dit restrictiever geformuleerd en overwogen dat het kenbaarmakingsbeginsel aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een belastingplichtige geen toegang krijgt tot de informatie in zijn administratief dossier waarop het bezwarende besluit is gebaseerd en de rechter vaststelt dat deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben, dit beginsel vereist dat in dit geval het besluit nietig wordt verklaard.1 Hiermee lijken de lidstaten bij voldoening aan het ‘andere afloop’-criterium niet meer de vrijheid te hebben een ander gevolg te verbinden dan vernietiging van het bezwarende besluit. De jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarbij na een schending van het kenbaarmakingsbeginsel tot vernietiging van het bezwarende besluit wordt gekomen, ziet wel steeds op zaken waarin het kenbaarmakingsbeginsel geheel is geschonden of waarin het deelaspect inzage in de stukken geheel is geschonden. De uitspraken betreffen geen schendingen die zien op slechts een deel van het bezwarende besluit of op gedeeltelijke schendingen van een van de deelaspecten. Ruimte bestaat voor andere rechtsgevolgen dan vernietiging in zaken waar het kenbaarmakingsbeginsel deels is geschonden (paragrafen 5.2 en 7.2).
Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie gaat ook de Hoge Raad ervan uit dat de vernietiging van een bezwarend besluit alleen aan de orde is als wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium.2 De Hoge Raad overweegt daartoe dat een schending van het verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging van het besluit als het besluitvormingsproces zonder schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De formulering van de Hoge Raad laat geen ruimte voor andere rechtsgevolgen dan een vernietiging als aan het ‘andere afloop’-criterium wordt voldaan. Op dit punt lijkt de Hoge Raad strenger dan het Hof van Justitie. Onduidelijk is of deze lijn van de Hoge Raad een bewuste keuze is, omdat in de zaken waarin het kenbaarmakingsbeginsel werd geschonden niet aan de Hoge Raad is voorgelegd of een ander rechtsgevolg mogelijk was indien wel aan het ‘andere afloop’-criterium werd voldaan. Daarnaast kan wellicht een verklaring voor de wijze van formuleren van de Hoge Raad worden gevonden in de zaak Kamino. In dit arrest overweegt het Hof van Justitie dat schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, naar Unierecht, pas leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, indien deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben.3 Echter in andere zaken, zoals Frankrijk/Commissie, overweegt het Hof van Justitie dat in die situatie dit tot een vernietiging kan leiden (paragraaf 7.2).4 Partieel vernietigen van een bezwarend besluit lijkt daarbij in de jurisprudentie van de Nederlandse rechters niet (of nauwelijks) in beeld.5 De Hoge Raad lijkt wel een aanwijzing te hebben gegeven dat een partiële vernietiging mogelijk moet zijn.6
Als wel moet worden uitgegaan van deze strengere lijn van de Hoge Raad is deze stengere lijn – mede in het licht van de procedurele autonomie van de lidstaten – mijns inziens niet in strijd met het Unierecht. Daarbij moet worden bezien of deze lijn het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht neemt. De procesregeling mag – kort gezegd – niet ongunstiger zijn dan die van soortgelijke Nederlandse regelingen. Nu een vernietiging voor de belanghebbende het meest gunstige resultaat biedt, wordt met deze strenge lijn voldaan aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Indien dit echter inhoudt dat een partiële vernietiging niet mogelijk is, ongeacht de exacte reikwijdte van de schending, dan lijkt mij dat niet juist. Als het Unierecht slechts ziet op een deel van het bezwarende besluit, kan een schending niet leiden tot een vernietiging van het gehele besluit. Een kleine schending ten aanzien van een deel van het bezwarende besluit zou mijns inziens niet tot een volledige vernietiging van het bezwarende besluit moeten leiden en daarmee in een aantal gevallen tot het niet behoeven betalen van de materiële belastingschuld. De gevolgen van de schending zijn mijns inziens dan niet proportioneel met de benadeling door de schending. Als deze lijn ook de mogelijkheid in zich heeft van partieel vernietigen van het bezwarende besluit kan ik mij wel vinden in deze lijn. Wel merk ik op dat voor sommige situaties een andere oplossing wellicht de voorkeur verdient (paragraaf 8.6.2).
Hoge Raad en het niet tijdig overleggen van stukken
In paragraaf 7.4 is besproken dat het Hof van Justitie een specifieke invulling geeft aan het ‘andere afloop’-criterium bij een schending van het recht op (inzage in) de stukken. Hierbij maakt het een onderscheid tussen belastende en ontlastende stukken. De Hoge Raad heeft ook een aantal keer geoordeeld over het ‘andere afloop’-criterium bij schending van het recht op (inzage in) de stukken.7 Of de stukken belastend of ontlastend waren, wordt niet altijd duidelijk. Van sommige stukken was dat wellicht ook niet bekend.
In een van die zaken stond de preferentiële oorsprong van een zending fietsen ter discussie.8 Voordat de inspecteur tot navordering is overgegaan, heeft de inspecteur de belanghebbende, onder overlegging van een OLAF-onderzoeksrapport, behoudens enkele annexen, op de hoogte gesteld van het voornemen tot navordering. De belanghebbende verzocht overlegging van de annexen, maar de belastingdienst heeft de annexen niet aan de belanghebbende verstrekt, ook niet ter inzage. Aangezien het rapport integraal een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft, zijn ook de annexen op de zaak betrekking hebbende stukken. Zonder kennisname van de annexen kan geen oordeel worden gegeven over de relevantie van de annexen. Het niet overleggen daarvan of ter inzage aanbieden leverde een schending op van het kenbaarmakingsbeginsel, specifiek van het Unierechtelijke recht op (inzage in) de stukken. Vervolgens moest worden bezien welke rechtsgevolgen aan deze schending diende te worden verbonden. De Hoge Raad overweegt als volgt:
“(…), heeft het Hof aan deze schending (…) geen gevolgen verbonden voor de onderhavige uitnodigingen tot betaling, omdat belanghebbende naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben. Daarbij achtte het Hof van belang dat belanghebbende onvoldoende heeft geconcretiseerd wat zij nader had willen onderzoeken indien zij de annexen eerder tot haar beschikking had gehad, en waarom zij dat onderzoek zonder de niet verstrekte informatie niet heeft kunnen uitvoeren.
(…)
In ’s Hofs (…) oordelen ligt besloten het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer zij tijdens de bezwaarfase wel (volledig) inzage zou hebben gehad in de annexen, zij een inbreng had kunnen leveren (waaronder een inbreng over de rol van de autoriteiten van Maleisië) die voor het vaststellen van de uitspraak op bezwaar van belang was en tot een andere uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen leiden dan de uitspraak op bezwaar die de Inspecteur heeft gedaan. Dat oordeel is – mede in het licht van de bevindingen van het door OLAF opgemaakte onderzoeksrapport zoals dat door de Inspecteur aan het Hof is overgelegd – niet onbegrijpelijk.”
In dit arrest is zichtbaar dat de Hoge Raad het ‘andere afloop’-criterium invult voor de situatie dat bepaalde stukken niet tijdig zijn overgelegd, maar ook dat de Hoge Raad niet hetzelfde criterium hanteert als het Hof van Justitie. De Hoge Raad kijkt of de belanghebbende op basis van de stukken nog een relevante inbreng had kunnen hebben, terwijl mijns inziens, op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie de vraag had dienen te worden beantwoord of de zaak als de niet overgelegde delen van de stukken zouden worden weggedacht een andere afloop zou kunnen hebben gehad (belastend bewijs) of bruikbaar zouden zijn geweest voor het verweer (ontlastend bewijs).
Of het door de Hoge Raad gehanteerde criterium tot dezelfde uitkomst leidt, is niet uit het arrest af te leiden, maar het is zeker voorstelbaar dat verschillende uitkomsten mogelijk zijn, afhankelijk van de aard van de stukken waartoe de belanghebbende geen toegang heeft gekregen. Stel dat het enige relevante bewijsmiddel (dat een goed uit een ander land komt dan de belanghebbende heeft aangegeven) niet tijdig is overgelegd door de belastingdienst. De belastingdienst legt dit stuk uiteindelijk over in de rechterlijke procedure. Het recht op (inzage in) de stukken is in dat geval geschonden. Uitgaande van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zal de procedure zonder dit stuk zeker een andere afloop geven dan de procedure met dit stuk. Zonder dat stuk is er geen bewijs van de door de belastingdienst gestelde herkomst van het goed. Het door de Hoge Raad aangelegde criterium kan echter een andere uitkomst geven. Als dat enige relevante en belangrijke bewijsstuk de herkomst van het goed op dusdanige wijze aantoont dat daar geen speld tussen is te krijgen, dan kan de belanghebbende geen relevante inbreng geven die tot een andere afloop leidt. De belanghebbende is echter wel daadwerkelijk in de verdediging geschaad als de essentiële bewijsmiddelen pas later worden overgelegd.
Terug naar de zending fietsen. Het heeft mijn voorkeur dat de Hoge Raad preciezer aansluit bij de criteria die het Hof van Justitie aanlegt bij schending van het Unierechtelijke recht op (inzage in) de stukken. Van belang is de aard van de weggelaten stukken, hier de annexen. Die aard wordt door de Hoge Raad niet besproken. Er kan sprake zijn van ontlastend bewijs. Als daarvan sprake zou zijn geweest, de annexen zijn in hoger beroep overgelegd met bepaalde gezwarte passages, zou daar zeker iets van terug te vinden moeten zijn in de procedure. Als sprake is van belastend bewijs, moet dit bewijs worden weggedacht. Dan kan die informatie al uit andere bron bekend zijn. De belanghebbende wordt dan niet in de verdediging geschaad en de procedure zonder dit stuk zal geen mogelijk andere afloop hebben dan de procedure met dit stuk. De informatie kan ook helemaal niet relevant zijn voor het bezwarende besluit, ook dan is de belanghebbende niet in de verdediging geschaad en leidt een procedure zonder het stuk niet tot een andere afloop dan de procedure met dit stuk. Alleen als sprake is van nieuwe relevante informatie kan een procedure zonder stuk mogelijk een andere afloop hebben dan een procedure met dit stuk. De rechter moet hierin inzicht geven. Daarvoor is wel noodzakelijk dat de rechter over deze stukken beschikt. Als een relevant stuk niet wordt overgelegd, ook niet aan de rechter (onder eventueel een beroep op geheimhouding) zal de rechter mijns inziens ervan uit moeten gaan dat sprake kan zijn van een ontlastend stuk. In de zaak waarbij er twee versies bestonden van ‘hetzelfde’ OLAF-rapport (tweede versie maakte niet meer melding van het stuk waar de belanghebbende om vroeg) is het in dit licht niet verwonderlijk dat dan een vernietiging van het bezwarende besluit aan de orde is.9
Gevolgen van een vernietiging van een bezwarend besluit
Als het tot vernietiging van het bezwarende besluit komt, is het goed te beseffen dat niet elke vernietiging leidt tot het gevolg dat de belanghebbende de belastingschuld definitief niet meer verschuldigd is. In een aantal gevallen is het mogelijk een nieuwe aanslag op te leggen.10 De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat als utb’s zijn vernietigd wegens een uitsluitend daaraan klevend formeel gebrek, zoals vanwege een schending van het kenbaarmakingsbeginsel, de aan die utb’s ten grondslag liggende boekingen (de douaneschuld) kunnen worden gehandhaafd en dat op basis daarvan opnieuw utb’s kunnen worden uitgereikt.11 In douanezaken leidt de beroepsfase tot opschorting van termijnen. In die gevallen kan een vernietiging van een aanslag als gevolg van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel, voor de belanghebbende leiden tot ongewenste onnodige herhaling van zetten. Weliswaar is sprake van een schending, maar in de (hoger)beroepsfase zijn waarschijnlijk alsnog alle standpunten uitgewisseld. De vraag is of een belastingplichtige in die situaties gebaat is bij een vernietiging van de utb en het opleggen van een nieuwe gelijkluidende utb en een nieuwe procedure. Een herhaling van zetten kost veel tijd en brengt voor de belanghebbende ook extra kosten met zich.
In een aantal gevallen zal het, als gevolg van het tijdsverloop, niet mogelijk zijn een nieuwe aanslag op te leggen. In die situaties zal een belastingplichtige vaak wel zijn gebaat bij een vernietiging, maar dat is niet altijd het geval. Als de belastingplichtige duidelijkheid wil ten aanzien van een specifiek juridisch geschilpunt, welk geschilpunt voor toekomstige aanslagen ook van belang is, is de belastingplichtige niet altijd bij een vernietiging gebaat. Het bedrag van de aanslag wordt uitgespaard, maar kosten zullen worden gemaakt voor een nieuwe procedure en de belanghebbende verkeert langer in onzekerheid. Zulke situaties vergen overleg met de belanghebbende.