Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/3.1.2
3.1.2 Heuristieken
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174159:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie Enneking, Giesen & Rijnhout 2013, p. 1046-1055; Ten Velden & De Dreu 2012, p. 24-30; Rachlinski 2012, p. 21-32; Kahneman 2011, p. 137 e.v. en p. 455-468. Zij baseren zich onder andere op Plous 1993 en Tversky & Kahneman 1974.
Ten Velden & De Dreu 2012, p. 25; Plous 1993, p. 121; Reyes e.a. 1980, p. 2-4.
Ten Velden & De Dreu 2012, p. 26.
Englich, Mussweiler & Strack 2005, p. 189.
Englich (2006, p. 507-508) haalt diverse studies aan. Daarnaast: Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2001, p. 791-792.
Chapman & Johnson 1998, p. 143; afkomstig uit: Enneking, Giesen & Rijnhout 2013, p. 1039.
Englich, Mussweiler & Strack 2006; Englich 2006, p. 508-509.
Plous 1993, p. 38-46.
Zie voor een bespreking van de effecten en omstandigheden waarin zij zich voordoen: Enneking, Giesen & Rijnhout 2013, p. 1047-1052.
Rassin 2008, p. 68-69; Dijksterhuis e.a. 2006.
Heuristieken maken deel uit van systeem 1. In de literatuur wordt een reeks daarvan onderscheiden.1 Een eerste die voor de rechtspraak relevant kan zijn is de beschikbaarheidsheuristiek. Deze vuistregel wordt vaak toegepast als de kans op, frequentie van of waarschijnlijke oorzaken van een gebeurtenis moeten worden ingeschat. Als gebeurtenissen eenvoudig voor te stellen zijn of gemakkelijk in herinnering kunnen worden geroepen, bijvoorbeeld doordat ze emoties oproepen of levendig verteld zijn, dan zijn ze eerder beschikbaar in ons geheugen. Dat leidt ertoe dat mensen verwachten dat de kans op, de frequentie of waarschijnlijke oorzaken van dergelijke gebeurtenissen hoger is dan van gebeurtenissen die niet of nauwelijks in ons geheugen aanwezig zijn. Mensen schatten bijvoorbeeld het risico om slachtoffer te worden van een terroristische aanslag te hoog in en het risico om gedood te worden door vallende vliegtuigonderdelen te laag.2 Ook voor rechters kan dit gevolgen hebben. Rechters die in hun werk voortdurend in aanraking komen met een specifiek type misdrijf, zouden de mate waarin het misdrijf voorkomt kunnen overschatten. Dit kan verkeerd uitpakken als in een strafzaak onzeker is of zich wel een misdrijf heeft voorgedaan – wellicht was het malheur het gevolg van een noodlottig ongeluk –, maar de rechter de situatie op grond van zijn ervaring snel meent te herkennen als een misdrijf.
Een tweede type vuistregel is de representativiteitsheuristiek, die neerkomt op de neiging om een oordeel over een persoon, een object of een gebeurtenis te baseren op stereotiepe overeenkomsten met soortgelijke personen, objecten, of gebeurtenissen, in plaats van op voor die persoon, dat object of die gebeurtenis specifieke informatie. Denk aan de vuistregel ‘vrouwen zijn goed in multitasken, mannen in kaartlezen’ of ‘eens een dief, altijd een dief’. Rechters kunnen de vuistregel toepassen als ze categorische oordelen moeten geven, bijvoorbeeld over schuld, en zij hun oordeel daarover baseren op de proceshouding van de verdachte. Zenuwachtig of beheerst gedrag ter zitting kan het oordeel van de rechter over de schuldvraag sturen.3
Een derde vuistregel is de ankerheuristiek, die veel voorkomt in besluitvormingssituaties. Een anker is een vertrekpunt dat wordt gebruikt om schattingen te maken, bijvoorbeeld van de hoogte van schade of straf. Ankers kunnen beredeneerd zijn, maar ook volkomen uit de lucht gegrepen. Zelfs dan blijken mensen er nog waarde aan te hechten (zie nader paragraaf 3.4.3). Van rechters wordt vermoed dat zij in hun besluitvorming minder ontvankelijk te zijn voor ankers dan andere groepen. Rechtspraak gebeurt namelijk op basis van regels, die de invloed van irrelevante informatie op het besluitvormingsproces zouden moeten temperen; er zijn duidelijke richtlijnen voor het bepalen van de strafoplegging; het bewijsrecht bepaalt nauwkeurig hoe bewijs moet worden verzameld en aangedragen; en rechters zijn ervaren in besluitvorming en gedreven om hoogwaardige beslissingen te nemen.4 Helemaal overtuigend zijn deze argumenten niet, want herhaaldelijk is vastgesteld dat rechters uit verschillende rechtsgebieden zich bij de vaststelling van feiten hebben laten leiden door gegevens die niet ter zake doen.5 Voor de rechtspleging is ook het onderzoek van Chapman & Johnson relevant, die concluderen dat de kans op het gebruik van ankers groter wordt als beraadslagingen direct worden gevolgd door besluitvorming. Het ligt voor de hand dit te verklaren door het feit dat argumenten die het anker bevestigen nog vers in het geheugen zitten en daardoor gemakkelijker van invloed zijn op de besluitvorming.6 Deze wetenschap zou een argument zijn om het raadkameren niet direct op de zitting te laten volgen. Vermeldenswaardig is ook het onderzoek van Englich, Mussweiler & Strack, die in experimenten met strafrechters en andere juristen aantoonden dat deze zich in hoge mate lieten leiden door de eis van de aanklager. Zelfs zeer ervaren rechters waren daar niet ongevoelig voor. Het enige verschil tussen onervaren juristen en in het vak doorknede rechters was dat de laatsten veel zekerder waren over de juistheid van hun beslissing dan hun jongere collega’s.7
De laatste hier te bespreken categorie vuistregels zijn order effects, waarbij de context van invloed is op de oordeelsvorming.8 Zo sturen primacy en recency effecten de oordeelsvorming door de volgorde waarin informatie wordt aangeboden. Heeft de éérst waargenomen informatie (los van de inhoud ervan) de meeste invloed, dan is sprake van een primacy effect. Heeft de laatste informatie de overhand, dan gaat het om een recency effect. Voor gerechtelijke procedures zouden deze effecten betekenis hebben als blijkt dat de volgorde waarin partijen hun stellingen en bewijs aandragen de rechterlijke beoordeling beïnvloedt. De eiser respectievelijk gedaagde zou daarmee in het voordeel kunnen zijn. Er is het nodige onderzoek gedaan naar genoemde effecten, maar dat wijst niet eenduidig uit welke van de twee wanneer dominant is. De omvang en complexiteit van de aangeboden informatie en de ervaring van de beslisser zouden bepalende factoren zijn.9 Andere order effects zijn de halo en horn effecten. Het eerste houdt in dat als iemand een bepaald aspect van een persoon of zaak positief waardeert, bijvoorbeeld het uiterlijk, diens waardering doorwerkt op de beoordeling van de persoon of zaak als geheel. Toegepast op een rechtszitting zou dat kunnen betekenen dat een procespartij die de sympathie van de rechter heeft, eerder door hem wordt geloofd. Het omgekeerde kan zich ook voordoen, als een observant juist een negatieve indruk heeft van iets of iemand. In dat geval wordt gesproken van een horn effect.
Zijn vuistregels misleidende trucs die een behoorlijke oordeelsvorming in de weg staan? Zeker niet per definitie, zo blijkt. Vuistregels helpen een flinke hoeveelheid informatie te filteren, waardoor snel en niet zelden adequate beslissingen kunnen worden genomen. Het nadeel is ook evident: of een beslissing juist is als die alleen tot stand kwam met behulp van een vuistregel, zeker in meer ingewikkelde kwesties, valt te betwijfelen. Daarmee is dus niet gezegd dat vuistregels altijd nutteloos zijn. De gebruiker moet zich alleen bewust zijn van de gebreken die aan vuistregels kleven en zich dus bijvoorbeeld niet laat leiden door volstrekt willekeurig vastgestelde ankers. Met name bij ingewikkelde materie kan voor goede beslissingen niet worden vertrouwd op vuistregels alleen.10