Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.1.0.b
Geestelijke integriteit
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459220:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GK) 16 juli 2014, appl. no. 36359/09, r.o. 63 (Hämäläinen vs. Finland) en EHRM 28 oktober 2014, appl. no. 20531/06, r.o. 38 (Ion Carstea vs. Roemenië) en EHRM 11 december 2014, appl. nos. 28859/11 & 28473/12, r.o. 73, 75 (Dubská & Krejzová vs. Tsjechië).
EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)) en EHRM 24 juli 2014, appl. no. 28761/11 (Al Nashiri vs. Polen) en EHRM 24 juli 2014, appl. no. 7511/13 (Husayn (Abu Zubaydah) vs. Polen).
EHRM (GK) 12 november 2013, appl. no. 5786/08, r.o. 80 (Söderman vs. Zweden) en EHRM 24 juli 2014, appl. no. 7446/12, r.o. 70 (Remetin vs. Kroatië (nr. 2)).
EHRM 21 november 2013, appl. no. 16882/03 (Putistin vs. Oekraïne).
EHRM 28 oktober 2014, appl. no. 20531/06 (Ion Carstea vs. Roemenië).
EHRM (GK) 29 juni 2007, appl. no. 15472/02, r.o. 98 (Folgero en anderen vs. Noorwegen).
D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 428- 433.
N.A. Farahany, ‘Incriminating thoughts’, Stanford Law Review 2012, 2, p. 400 en D.J. Church, ‘Neuroscience in the Courtroom: An International Concern’, William & Mary Law Review 2012, 5, p. 1851.
F.X. Shen, ‘Neuroscience, Mental Privacy, and the Law’, Harvard Journal of Law & Public Policy 2008, 2, p. 653-713.
J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 60-61.
EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 249 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)): ‘Having regard to its conclusions concerning the respondent State’s responsibility under Articles 3 and 5 of the Convention, the Court considers that the State’s actions and omissions likewise engaged its responsibility under Article 8 of the Convention. In view of the established evidence, the Court considers that the interference with the applicant’s right to respect for his private and family life was not “in accordance with the law”.’ Vgl. EHRM 24 juli 2014, appl. no. 28761/11, r.o. 539 (Al Nashiri vs. Polen) en EHRM 24 juli 2014, appl. no. 7511/13, r.o. 533 (Husayn (Abu Zubaydah) vs. Polen).
Naast de lichamelijke integriteit, die in het strafprocesrecht kan worden aangetast door opsporingsmethoden die het lichaam als onderzoeksobject hebben, onderscheidt het EHRM de geestelijke integriteit als onderdeel van het privéleven.1 Voor het strafprocesrecht is dit onderdeel gewichtig als niet (alleen) het lichaam onderzoeksobject is, maar ook ‘de geest’ of ‘het brein’. De methoden die de CIA gebruikte in El-Masri, Al Nashiri en Husayn zijn voorbeelden van middelen die voornamelijk zijn gericht op het ‘breken’ van de verdachte (en niet enkel op het toedienen van lichamelijk letsel).2 Door de verdachte te blinddoeken, te desoriënteren met harde geluiden en andere ‘verhoortechnieken’ wordt getracht informatie los te krijgen die bij gangbare methoden niet prijs wordt gegeven. Anders dan bij het verhoor onderzoeken de op dit moment toegepaste opsporingsmethoden het geheugen van de verdachte niet. (Neuro)geheugendetectie zou daarin verandering brengen doordat, naast een biologisch spoor, ook een cognitief spoor wordt onderzocht. Omdat het geheugen onderzoeksobject is, lijkt het voor de hand te liggen het verkrijgen van het cognitieve spoor te behandelen onder de geestelijke integriteit als onderdeel van het private leven (naast de hersenen als onderdeel van het lichaam en daardoor beschermt onder de fysieke integriteit).
De geestelijke integriteit speelt tot op heden een zeer kleine rol in uitwerking van het privéleven. Naast de bovengenoemde (evidente) aantastingen van de geestelijke integriteit speelt de kwestie onder andere bij positieve verplichtingen om schendingen van deze integriteit door andere burgers te voorkomen of te sanctioneren, en bij de beoordeling of de eer of de goede naam is aangetast. In overeenstemming met de bescherming van de fysieke integriteit moet de staat een legal framework in het leven roepen waarbinnen aantasting van de psychologische integriteit wordt voorkomen en strafbaar is gesteld.3 Daarnaast kunnen bepaalde openbaringen, zoals de beschuldiging deel te hebben uitgemaakt van de Gestapo4 en het publiceren van beschuldigingen van afpersing en seksueel misbruik van studenten door een professor,5 de psychologische integriteit aantasten.
Een laatste punt wat betreft de geestelijke integriteit, die voor de GKT in het bijzonder interessant is, is de verhouding tussen de bescherming van het privéleven en de vrijheid van gedachten. In de rechtspraak van het EHRM wordt artikel 9 EVRM in verband gebracht met artikel 8 EVRM,6 maar de reikwijdte van artikel 9 EVRM lijkt beperkt (ondanks het gebruik van vage en brede termen zoals ‘gedachten’, ‘geweten’ en ‘geloof’). Alleen religieuze en filosofische geloofsovertuigingen vallen onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM.7 Het betreft derhalve geen algemene bescherming van het forum internum of van gedachten en herinneringen. De bescherming daarvan zal dan via de geestelijke integriteit en artikel 8 EVRM moeten lopen. Voor de GKT is dit van belang omdat het onderzoek naar de aanwezigheid van herinneringen (het cognitieve spoor) de verdachte niet ook of aanvullend via artikel 9 EVRM bescherming biedt.
De geestelijke integriteit is een van de minst genoemde onderdelen van de persoonlijke identiteit en daarmee het privéleven. De opkomst van methoden die het geheugen van de verdachte onderzoeken, kunnen leiden tot een toename van rechtspraak op dit gebied. Ook biedt de geringe uitwerking van de betekenis van de geestelijke integriteit ruimte voor de erkenning van ‘cognitieve vrijheid’,8 ‘mentale privacy’,9 of ‘mentale zelfdeterminatie’10 als onderdeel van het recht op respect voor privéleven via de bescherming van de geestelijke integriteit. Gezien de overeenkomst met het breken van de mentale weerstand tijdens een verhoor, dat in verschillende zaken als schending van artikel 8 EVRM wordt gezien,11 lijkt mij dat het ‘breken’ van het geheugen – als de verdachte niet antwoordt of zijn daderkennis niet op een andere wijze heeft geopenbaard – via dit onderdeel te moeten lopen.