Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.3.8
4.3.8 De uitzondering op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 5 BW
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385294:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Lennarts & Boschma 2010, p. 710, werpen (terecht) deze vraag op.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 20.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 36. Het belang van het gezin staat voorop, zie onder meer HR 23 mei 1969, NJ 1969, 340, m.nt. H. Drion; HR 4 januari 1974, NJ 1974, 515 en HR 15 december 1978,NJ 1979, 427, m.nt. E.A.A. Luijten. Art. 1:88 BW beoogt de niethandelende echtgenoot te beschermen, zie HR 13 maart 1993, NJ 1994, 92, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 19 november 1993,NJ 1994, 259, m.nt. WMK en HR 22 september 1995, NJ 1996, 521 m.nt. WMK. Het resultaat van het vernietigen van de rechtshandeling door de niet-handelende echtgenoot kan de handelend echtgenoot ook ten voordeel strekken. Zie HR 31 mei 1991,NJ 1991, 777, m.nt. E.A.A. Luijten.
HR 14 april 2000, r.o. 3.4, LJN AA5526, NJ 2000, 689, m.nt. WMK en JOR 2000, 113 (Soetelieve/ Stienstra) en HR 19 december 2008, LJN BF3942 (Fortis).
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 34.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 35.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 36.
Van Mourik 1983, p. 104 en Honée 1984, p. 94.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 23.
Parl. Gesch. Invoering Boek 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 25.
In bevestigende zin: Rb. Utrecht 18 september 1996,JOR 1996, 116; Hof Amsterdam 6 november 1997, JOR 1998, 95, m.nt. C.J. Groffen (waarvan cassatie: het Kelders/Fortis-arrest). Groffen onderschrijft de uitspraak van het hof. Hof Amsterdam 13 december 2001, NJ 2004, 145, r.o. 4.3; Rb. ’s-Gravenhage 26 februari 2003, JOR 2003, 188, r.o. 3.2 en Rb. Amsterdam 16 april 2003, JOR 2003, 191, r.o. 8.1. Honée 1984, p. 94, lijkt ook die mening toegedaan. In ontkennende zin: Rb. Utrecht 18 september 1996, JOR 1996, 116, r.o. 4.5; Hof Arnhem 8 oktober 2002, NJ 2003, 444, JOR 2003, 187, m.nt. A.J. Verdaas (Ledegang/Roordink Bedrijfswagens) en Rb. Utrecht 2 april 2003, LJN AF6970, NJ 2003, 353, JOR 2003, 190, m.nt. A.J. Verdaas, r.o. 4.6. Zie voor een overzicht van literatuur sub 8 van de concl. P-G bij HR 11 juli 2003, LJN AF7513. Zie ook Verdaas in sub 2 van zijn noot onder hetzelfde arrest, JOR 2003, 223. In zijn noot onder JOR 2003, 191 stelt Verdaas dat indirect aandeelhouderschap onder de uitzondering op het toestemmingsvereiste valt, mits de directe of indirecte bestuurder van de betrokken vennootschap een doorslaggevende stem in de algemene vergadering en enig financieel belang als aandeelhouder heeft dan wel een daarmee gelijk te stellen financieel belang, bijvoorbeeld als certificaathouder.
HR 11 juli 2003, LJN AF7513,NJ 2004, 173, m.nt. WMK, JOR 2003, 223, m.nt. Verdaas (Kelders/ Fortis). Onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht besliste de Hoge Raad nog in tegengestelde zin, zie HR 22 september 1995, NJ 1996, 521, m.nt. WMK.
r.o. 3.6.
r.o. 3.4.
sub 3 van de noot.
Kleijn spreekt over een eenvoudige certificering, waarbij de directeur-grootaandeelhouder (vooralsnog) zelf alle certificaten houdt en daardoor volledige zeggenschap behoudt en zijn financieel belang continueert.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 januari 2011, LJN BP1015, JOR 2012, 191, r.o. 4.6. De ondernemer had als aandeelhouder het financiële belang via de ene holding en als bestuurder de zeggenschap via de andere holding.
HR 20 januari 2006, LJN AU5681, NJ 2006, 79, JOR 2006, 195, m.nt. Verdaas (Fortis/Van der Zee). Zie ook Rb. ’s-Hertogenbosch 18 januari 2012,LJN BV2015, JOR 2012, 367.
r.o. 3.5.
HR 8 oktober 2010, LJN BN1402,NJ 2011, 30, m.nt. Verstappen; JOR 2010, 367; JIN 2010, 863, m.nt. Vergouwen en Boekhorst; en Breedveld-de Voogd 2010.
Zie in positieve zin: Van Mourik 1983, p. 104, en Honée 1984, p. 94. Zie ook Kleijn in zijn noot onder het Kelders/Fortis-arrest (NJ 2004, 173). Kleijn pleit er voor eenvoudige certificering gelijk te behandelen als de situatie waarin sprake is van indirect aandeelhouderschap, zoals in het Kelders/Fortis-arrest. In dezelfde zin Hof Amsterdam 13 december 2001, NJ 2004, 145, Rb. Rotterdam 26 maart 2003, JOR 2003, 189 en Rb. Almelo 21 februari 2007,JOR 2007, 130, m.nt. Steneker. Verdaas stelde in sub 8 van zijn noot onder het Fortis/Van der Zee-arrest (JOR 2006, 195) dat op grond van de overwegingen in dat arrest ingeval van certificering de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW niet op gaat. In sub 15 van zijn noot in JOR 2003, 191 dacht hij daarover nog anders.
Zie voor een mooi schema: Waal 2003, p. 162.
Breedveld-de Voogd 2010, p. 14, stelt dat uit het Abbink/SNS Bank-arrest niet blijkt dat eisen worden gesteld aan de rechten die de certificaathouder jegens de STAK kan uitoefenen, anders dan dat vastgesteld moet worden dat hij certificaathouder is. Naar mijn mening doet de Hoge Raad dat wel. De Hoge Raad neemt tot maatstaf of in voorkomend geval de handelend echtgenoot zo nauw verbonden is met de onderneming dat hij in de praktijk als ondernemer kan gelden, doordat hij zeggenschap uitoefent en financieel belang heeft bij de bedrijfsresultaten van de vennootschap ten behoeve waarvan hij zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Bij toetsing zal de rechter in voorkomend geval de inhoud van de administratievoorwaarden moeten betrekken. In dit concrete geval was er geen noodzaak de administratievoorwaarden te betrekken, omdat de handelende bestuurder zowel bestuurder van de BV als van de STAK was. Als bestuurder van de STAK en certificaathouder kon hij aldus zelfstandig de inhoud van de administratievoorwaarden bepalen.
Zie in dezelfde zin Breedveld-de Voogd 2010, p. 14 en L.C.A. Verstappen in zijn NJ-noot (NJ 2011, 30) onder het Abbink/SNS Bank-arrest, sub 10. Verstappen spreekt van een ‘weinig gelukkige’ uitspraak.
G.C. Vergouwen en I. Boekhorst in hun noot onder het Abbink/SNS Bank-arrest, JIN 2010, 863.
In gelijke zin: L.C.A. Verstappen in zijn NJ-noot (NJ 2011, 30) onder het Abbink/SNS Bank-arrest, sub 10.
Een fiscaal uitstapje: ten aanzien van de deelnemingsvrijstelling heeft de wetgever overwogen dat zowel winstrechtloze als stemrechtloze aandelen meetellen bij de beoordeling of aan het vijf procentcriterium is voldaan en dat resultaten behaald met beide soorten aandelen onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen, Kamerstukken II 2010/11, 32 426, nr. 7, p. 37. De minister merkt tevens op dat “de toekenning van stemrechtloze aandelen in het kader van werknemersparticipatie alleen tot belastingheffing in box 2 (in plaats van box 3), indien een werknemer daardoor een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van die soort aandelen van de vennootschap verkrijgt. Indien in de praktijk blijkt dat dit tot problemen leidt, dan biedt de wet de mogelijkheid om bij ministeriële regeling te bepalen dat dergelijke aandelen niet een afzonderlijke soort vormen.”, zie Kamerstukken I 2011/12, 31 058 en 32 426, nr. C. p. 3 (MvA I).
Van der Grinten 1971 (1), p. 304-305, voetnoot 8. Zie ook Faasen 1989, p. 501.
Van Schilfgaarde 1988, p. 35; Ten Berg 2007, p. 338 en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 38 (MvT).
Schwarz 1990, p. 20-22 en Eisma & De Keijzer 1994, p. 12.
Schwarz 1990, p. 22 en 25 en Eisma & De Keijzer 1994, p. 12. Van den Nieuwenhuijzen stelt dat geen eenduidig antwoord is te formuleren op de vraag wat die bovengrens zou moeten zijn. Zie Van den Nieuwenhuijzen 2008, p. 24.
Portier heeft de argumenten voor een maximum percentage stemrechtloze aandelen ontkracht. Zie Portier 2008, p. 242-244.
Zie par. 2.6.
Uitgaande van de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Kamerstukken 32 887, Stb. 2012, 274). Deze wet zal inwerking treden op 1 januari 2013 (Stb. 2012, 305).
Van Uchelen-Schipper 2012, p. 190, vraagt zich af of de door mij gestelde ondergrens van tien procent zinvol is. Zij stelt dat of van een financieel belang substantieel sprake is per geval moet worden uitgemaakt. Naar mijn mening zal sprake moeten zijn van tien procent van het aandelenkapitaal ongeacht het soort aandelen.
In het wetvoorstel van de flex-BV wijzigt dit percentage in art. 2:220 BW van tien naar één procent. Eén procent komt mij echter als een zeer gering belang voor.
Art. 2:24d (oud) BW is in min of meer in dezelfde vorm teruggekomen in art. 2:24d lid 2 BW. Art. 2:228 lid 6 BW is ‘in de flex-BV’ niet gewijzigd.
Zie hierover Kamerstukken II 2009/10, 32 426, nr. 3, p. 37 (MvT).
Concl. P-G Hartkamp bij het Fortis/Van der Zee-arrest, sub 13.
Vgl. 3:24 lid 2 BW. Rb. Utrecht 18 september 1996, JOR 1996, 116, r.o. 4.8 en Hof Arnhem 8 oktober 2002, NJ 2003, 444, JOR 2003, 187, m.nt. A.J. Verdaas (Ledegang/Roordink Bedrijfswagens), r.o. 5.6.
In het handelsregister zijn onder meer opgenomen: de statutaire bestuurder(s) van de vennootschap en hun bevoegdheid de vennootschap te vertegenwoordigen (art. 22 lid 1 sub a Handelsregisterbesluit 2008), het kapitaal van de vennootschap, onderverdeeld naar soort indien er verschillende soorten aandelen zijn (art. 22 lid 1 sub c Handelsregisterbesluit 2008), ingeval van enig aandeelhouderschap de gegevens van die aandeelhouder (art. 22 lid 1 sub e Handelsregisterbesluit 2008). Daarnaast kan bij het handelsregister de akte van oprichting en/of de statuten van de vennootschap worden opgevraagd. Ook het aandeelhoudersregister als bedoeld in art. 2:194 BW en eventuele akte van levering van aandelen als bedoeld in art. 2:196 BW kunnen uitkomst bieden. Het aandeelhoudersregister en de akte van levering van aandelen betreffen echter niet voor derden toegankelijke informatie, zodat indien die stukken geraadpleegd moeten worden in het kader van de toetsing van het formele en materiële criterium er veelal geen sprake van een eenvoudige situatie meer zal zijn. In dat geval gaat de uitzondering op het toestemmingsvereiste van lid 5 van art. 1:88 BW niet op.
Art. 1:88 lid 1 sub c BW stelt dat de ene echtgenoot van de andere echtgenoot toestemming behoeft voor het aangaan van overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Art. 1:88 lid 5 BW stelt dat toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c, niet vereist is, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Art. 1:88 BW speelt een grote rol in de financieringspraktijk.
Nu de flex-BV (onder meer) stemrechtloze aandelen kent, is de vraag wat onder ‘de meerderheid der aandelen’ in de zin van art. 1:88 lid 5 BW moet worden verstaan.1 De wetgever is op deze vraag niet ingegaan. Bij beantwoording van deze vraag beperk ik mij (voornamelijk) tot het stemrechtloze aandeel.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat art. 1:88 BW in het belang van de andere echtgenoot beperkt moet worden uitgelegd. Garanties ten behoeve van derden plegen uitzonderlijke en gevaarlijke handelingen te zijn. De uitoefenaar van een zelfstandig beroep die door middel van een eenmanszaak of vennootschap onder firma aan het handelsverkeer deelneemt, draagt daarvoor de volle aansprakelijkheid, waarvan zijn echtgenote de financiële gevolgen kan ondervinden, zonder dat diens persoonlijke toestemming voor de aansprakelijkheid scheppende handeling is vereist. Deze persoonlijke aansprakelijkheid kan in beginsel worden uitgesloten door het beroep of bedrijf door middel van een naamloze of besloten vennootschap uit te oefenen. De enkele aansprakelijkheid van deze vennootschap wordt in de praktijk, niet ten onrechte, veelal onvoldoende geacht bij belangrijke transacties, zoals geldleningen. Gebruikelijk is dan ook dat daarvoor door de wederpartij extra zekerheid wordt verlangd door middel van handelingen als die waarop art. 1:88 lid 1 sub c BW het oog heeft. Lid 5 komt aan deze behoefte van de praktijk tegemoet. Dit is ook tegenover de andere echtgenoot gerechtvaardigd, omdat deze geen extra risico loopt vergeleken bij een rechtstreekse beroeps- of bedrijfsuitoefening buiten de rechtsvorm van de besloten vennootschap.2 Juist de weigering van de toestemming voor de extra zekerheid kan het gezin in financiële moeilijkheden brengen, omdat het (onmisbare) bankkrediet dan niet kan worden verkregen.3 Tot zover de algemene gedachten van de wetgever achter art. 1:88 lid 1 en 5 BW. De Hoge Raad heeft de restrictieve uitleg van de uitzondering op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 5 BW herhaald.4
Tijdens de parlementaire behandeling van art. 1:88 BW is zijdelings het begrip ‘meerderheid van de aandelen’ aan de orde gekomen. Zo is opgemerkt dat ‘meerderheid van de aandelen’ niet hetzelfde is als meerderheid van stemmen of meerderheid van geplaatst kapitaal. Bovendien zijn veel aandelen gecertificeerd.5 Door de wetgever is daarop gereageerd dat geen rekening gehouden is met afwijkingen van de normale regeling van het stemrecht en evenmin met de mogelijkheid van certificering van aandelen. De wetgever heeft het oog op vennootschappen met een eenvoudige en doorzichtige regeling, waarvan de structuur zelden gecompliceerd is. Afwijking van de wettelijke stemregeling en certificering van aandelen zijn denkbaar, maar zullen weinig voorkomen. Van belang is een combinatie van zeggenschap en financieel belang, zoals die zich ook voordoet bij de eenmanszaak en de vennootschap onder firma. Wie een voorkeur heeft voor een ingewikkelde structuur, moet voor het verschaffen van borgtocht de toestemming van zijn echtgenoot zien te verkrijgen, aldus de wetgever.6 In ander verband merkte de wetgever op dat het erom gaat of een bestuurder wegens de zeggenschap en het financiële belang dat hij in die rechtspersoon heeft, zo nauw daarmee verbonden is, dat hij in de praktijk als de ondernemer kan gelden.7
Hoewel ten tijde van de parlementaire behandeling van art. 1:88 BW in de literatuur al aandacht is besteed aan de vraag of certificering van aandelen en middellijk aandeelhouderschap onder de uitzondering van het toestemmingsvereiste vallen,8 heeft de wetgever aldus nagelaten daarop een duidelijk antwoord te geven.
Ook is tijdens de parlementaire behandeling van art. 1:88 lid 5 BW aarzeling geuit tegen de uitzondering op het toestemmingvereiste. Zo is opgemerkt dat geen toestemming van de andere echtgenoot is vereist indien de echtgenoot bestuurder van een NV of BV is en weliswaar tezamen met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt, doch zelf slechts een (zeer) gering gedeelte van de aandelen houdt. Het gevolg zou zijn dat de echtgenoot van een bestuurder van een NV of BV een veel groter risico loopt dan die van de ondernemer in een eenmanszaak.9 Door de wetgever is hierover opgemerkt dat deze situatie zich slechts zelden zal voordoen, dat de echtgenoten van vennoten van een vennootschap onder firma grotere risico’s lopen en dat sprake is van een indirect risico. Eerst zal de rechtspersoon worden aangesproken. Een andere, meer bevredigende regel is volgens de wetgever niet goed te vinden. Zou vereist zijn dat de bestuurder de meerderheid, of ten minste de helft van de aandelen moet bezitten, dan komt men in elk geval in moeilijkheden bij NV’s en BV’s met meer dan twee bestuurders, en veelal reeds bij deze rechtspersonen met meer dan één bestuurder.10
In de literatuur en rechtspraak bestond verdeeldheid over de vraag of de uitzondering op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 5 BW ook ziet op gevallen waarin rechtshandelingen worden verricht door een ‘indirecte’ bestuurderaandeelhouder.11
Uit het Kelders/Fortis-arrest12 volgt dat de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW geldt onverschillig of de bestuurder van een NVof BV die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en die zich voor de nakoming van de verplichtingen van die vennootschap als borg verbindt, rechtstreeks aandeelhouder van de desbetreffende vennootschap is of dat die aandelen worden gehouden door één of meer tussengeschakelde vennootschappen. Wél dient ook ten aanzien van de eventueel tussengeschakelde vennootschappen te zijn voldaan aan de eisen van bestuur en aandeelhouderschap die art. 1:88 lid 5 BW stelt, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad overweegt verder dat het moet gaan om een ‘gecontroleerde vennootschap’ die als tussenschakel fungeert.13 Ook refereert de Hoge Raad aan de in de parlementaire geschiedenis genoemde combinatie van zeggenschap en financieel belang.14 In zijn NJ-noot stelt Kleijn15 dat het criterium van de ingewikkeldheid van de structuur – door hem een formeel criterium genoemd – tot rechtsonzekerheid leidt en dat certificering van aandelen niet per definitie tot een ingewikkelde structuur leidt.16 Ook daarbij kunnen zeggenschap en financieel belang – door Kleijn een materieel criterium genoemd – immers gehandhaafd blijven. Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in navolging van het Kelders/Fortis-arrest dat ook voor een extra tussengeschakelde vennootschap de uitzondering van lid 5 opgaat.17
In het Fortis/Van der Zee-arrest18 beantwoordde de Hoge Raad de vraag of art. 1:88 lid 5 BW toepassing vindt in een situatie die mede ziet op handelingen van een echtgenoot die bestuurder is van een BV en de aandelen daarvan niet houdt maar slechts heeft gekocht zonder dat die aan hem zijn geleverd. De Hoge Raad achtte lid 5 in die situatie niet van toepassing. De kwalificatie ‘economische eigendom van de aandelen’ van het onderdeel voor deze rechtstoestand maakt dit niet anders, aldus de Hoge Raad.19 De Hoge Raad lijkt in dit arrest gewicht toe te kennen aan het feit dat de bestuurder vanwege de economische eigendom van de aandelen geen zeggenschap in de algemene vergadering had. Daarmee sluit hij aan bij de in de parlementaire geschiedenis genoemde combinatie van zeggenschap en financieel belang. Het ontbreken van zeggenschap in de algemene vergadering kan zich ook voordoen bij een bestuurder die tevens en alleen stemrechtloze aandelen in een BV houdt. In dat geval lijkt mij toestemming van de andere echtgenote vereist en gaat de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW aldus niet op.
In het Abbink/SNS Bank-arrest20 kwam de vraag aan de orde of de uitzondering van het toestemmingsvereiste ook geldt in geval van certificering van aandelen. In de literatuur en rechtspraak was daarover discussie.21 De casus was als volgt. In een BV waren alle aandelen gecertificeerd en werden gehouden door een STAK. De enig bestuurder van de BV was tevens enig bestuurder van de STAK. De BV had met de bank een kredietovereenkomst gesloten. De bestuurder van de BV, tevens certificaathouder, had zich persoonlijk als hoofdelijk medeschuldenaar jegens de bank ter zake van deze kredietovereenkomst verbonden. De echtgenote van de bestuurder vernietigde deze laatste rechtshandeling ex art. 1:89 BW, stellende dat haar toestemming in de zin van art. 1:88 BW voor het aangaan van die rechtshandeling was vereist. De uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW gaat niet op, omdat de aandelen zijn gecertificeerd, aldus de echtgenote.
De Hoge Raad beantwoordde de vraag of de uitzondering van het toestemmingsvereiste ook geldt in geval van certificering van aandelen bevestigend. De Hoge Raad formuleert het in r.o. 3.6 als volgt: “Anders dan het middel ingang wildoen vinden, biedt de totstandkomingsgeschiedenis van art. 1:88 BW (…) geensteun voor de lezing dat de wetgever het geval van certificering van aandelen alsnoodzakelijk leidende tot een ingewikkelde vennootschapsstructuur, zonder meerbuiten het toepassingsbereik van de uitzonderingsbepaling van art. 1:88 lid 5 heeftwillen houden. Veeleer blijkt dat de wetgever een uitgebreidere regeling – waarin,wat betreft de inrichting van de vennootschap, met verschillende mogelijkhedenrekening wordt gehouden – niet nodig heeft geoordeeld op de grond dat vennootschappenals waarop de onderhavige bepaling ziet, zelden gecompliceerd vanstructuur zullen zijn. Uit deze, met het oog op de praktijk gemotiveerde keuze vooreen eenvoudige regeling, kan niet worden afgeleid dat inrichtingsvormen waarmee,blijkens de ontstaansgeschiedenis, in lid 5 geen rekening is gehouden, bij voorbaataan toepassing van deze uitzonderingsbepaling in de weg staan. Beoordeeld zalmoeten worden (…) of in voorkomend geval de handelend echtgenoot zo nauwverbonden is met de onderneming dat hij in de praktijk als ondernemer kan gelden,doordat hij de zeggenschap uitoefent en financieel belang heeft bij de bedrijfsresultatenvan de vennootschap ten behoeve waarvan hij zich als hoofdelijkmedeschuldenaar verbindt. (…) Nu voorts niet kan worden gesproken van eencomplexe vennootschapsstructuur anders dan dat de aandelen zijn gecertificeerdvia een stichting, moet het in overeenstemming met de strekking van art. 1:88 lid 5worden geoordeeld de rechtsgeldigheid van een in privé aangegane verbintenis alsde onderhavige, niet te onderwerpen aan toestemming van de echtgenote. (…)”
Uit r.o. 3.6 van het arrest blijkt bovendien dat de Hoge Raad belang heeft gehecht aan het feit dat sprake was van een eenvoudige certificeringsconstructie. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat, door zijn positie als enig bestuurder van de stichting (zijnde de enig aandeelhouder van de BV) tevens certificaathouder, de bestuurder zijn zeggenschap binnen de BV alsmede zijn financieel belang bij de bedrijfsresultaten van de BV heeft behouden. De Hoge Raad overweegt dat deze eenvoudige certificeringsconstructie zich niet van het geval van indirecte zeggenschap, die aan de orde was in het Kelders/Fortis-arrest, onderscheidt.
Uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 1:88 lid 5 BW geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van certificering van aandelen. Naar de letter van de wet valt certificering aldus niet onder de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW. Uit het Abbink/SNS Bank-arrest volgt echter dat de Hoge Raad de strekking van de wet voorop stelt. Het arrest is in lijn met het Kelders/Fortis-arrest. Anders dan in het Fortis/Van der Zee-arrest, kon de bestuurder in het Abbink/SNS Bank-arrest via de STAK zeggenschap uitoefenen.
De lijn in de jurisprudentie is aldus dat voor de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW het formele criterium – de ingewikkeldheid van de vennootschapsstructuur – en het materiële criterium – de combinatie van zeggenschap en financieel belang – leidend zijn. De mate van ingewikkeldheid van de vennootschapsstructuur hangt af van de gekozen constructie. De gekozen constructie bepaalt ook de mate van zeggenschap en financieel belang, alsmede de combinatie daarvan.
De lijn is te begrijpen vanuit het oogpunt en de eisen van een vlot lopend handelsverkeer, maar erg concreet zijn deze criteria niet, althans de toepassing van deze criteria brengt rechtsonzekerheid met zich mee. In het Kelders/Fortis-arrest was sprake van een kerstboomstructuur,22 terwijl in het Abbink/SNS Bank-arrest sprake was van een eenvoudige certificering, waarbij de handelende bestuurder zowel bestuurder van de BV als van de STAK was.23 In een vennootschappelijke structuur zijn er vele combinaties van zeggenschap en financieel belang mogelijk. De uitwerking daarvan is sterk casuïstisch. De toetsing van het formele en materiële criterium is (uiteindelijk) aan de feitenrechter overgelaten.
De vraag is dan ook waar de grens van de complexe vennootschapsstructuur ligt. De genoemde arresten geven echter geen antwoord op de vraag wanneer het te complex wordt en dat werkt rechtsonzekerheid in de hand.24 Zo zijn ook bij certificering vele constructies mogelijk, mede ingegeven door het doel van de certificering. In de literatuur wordt gesteld dat ingeval van certificering, waarbij de enig certificaathouder een van de bestuurders van de STAK is, zonder in het bestuur van de STAK de (overwegende) zeggenschap te hebben, het wel mogelijk is het ontbreken van toestemming van de andere echtgenoot met succes in te roepen.25 Het Abbink/SNS Bank-arrest leert dat eenvoudige certificering wel onder de uitzondering van het toestemmingsvereiste valt.
Het formele en materiële criterium spelen uiteraard niet alleen ingeval van certificering. Bij de beoordeling van de uitzondering op het toestemmingsvereiste zal telkenmale naar de gehele vennootschapstructuur gekeken moeten worden. Vele vragen rijzen dan.26 Hoeveel aandeelhouders zijn er? Op welke wijze participeren de aandeelhouders in de betrokken vennootschap? Hoeveel bestuurders heeft de betrokken vennootschap? Zijn de bestuurders zelfstandig of gezamenlijk bevoegd de betrokken vennootschap te vertegenwoordigen? In welke mate zijn de bestuurders aandeelhouder? Hoeveel aandelen houden zij? Zijn er aandelen met bijzondere rechten? Zo ja, wat is de inhoud van die rechten? Door wie worden die aandelen gehouden? Is er een aandeelhoudersovereenkomst gesloten? Zo ja, wat is de inhoud van die overeenkomst? Zijn er stemovereenkomsten gesloten? Zo ja, wat is de inhoud van die overeenkomsten? Er kunnen in dit kader nog meer vragen bedacht worden. Het spreekt voor zich dat indien er geen snel en eenvoudig antwoord op deze vragen kan worden gegeven al gauw geen sprake meer is van een eenvoudige structuur. In dat geval gaat de uitzondering op het toestemmingvereiste van art. 1:88 lid 5 BW niet op, te meer omdat art. 1:88 BW beoogt de andere echtgenoot en het gezin te beschermen.
De flex-BV neemt deze rechtsonzekerheid niet weg. Naast gewone aandelen kunnen in de flex-BVook winstrecht- en stemrechtloze aandelen voorkomen. Indien door middel van stemrechtloze aandelen een vennootschapsstructuur gecreëerd wordt welke gelijk is aan de eenvoudige certificering, zoals in het Abbink/SNS Bank-arrest aan de orde was, lijkt mij de uitzondering op het toestemmingvereiste nog steeds opgaan.
Een andere situatie is de volgende. Stel dat er in een BV één winstrechtloos aandeel is, gehouden door de bestuurder van de BV, en voorts stemrechtloze aandelen, waarvan er één gehouden wordt door de bestuurder en de rest van de stemrechtloze aandelen door een of meerdere derden. Van een ingewikkelde structuur lijkt geen sprake te zijn. De aandeelhouders en de aan de aandelen verbonden rechten zijn op grond van art. 2:194 BW kenbaar uit het aandeelhoudersregister. De bestuurder heeft de combinatie van zeggenschap en financieel belang. Dat belang is weliswaar zeer beperkt; hij heeft (bovendien) geen meerderheid van de stemrechtloze aandelen. Daartegenover staat wel dat hij de (volledige) zeggenschap in de vennootschap heeft en hij alle winstrechtloze aandelen houdt. De vraag is of er een bepaalde verhouding of percentage geldt voor het houden van de meerderheid van de aandelen en voor welke soort aandelen, meer in het bijzonder voor het stemrechtloze aandeel, die verhouding in een BV geldt.27 Het financiële belang van de bestuurder in dit voorbeeld is immers niet erg groot.
In de literatuur is de vraag aan de orde geweest of het percentage stemrechtloze aandelen niet moet worden gemaximeerd. De argumenten daarvoor zijn dat daarmee wordt voorkomen dat de zeggenschap in de algemene vergadering overwegend toekomt aan degenen die het minst in het kapitaal van de vennootschap hebben bijgedragen.28 Ongelimiteerde toepassing van het stemrechtloze aandeel zou de vennootschap tot een kapitaal aantrekkende stichting reduceren.29 Ongebreidelde uitgifte van aandelen zonder stemrecht zou leiden tot aantasting van de vennootschappelijke basiselementen, zoals het beginsel dat kapitaalverschaffers een zekere mate van zeggenschap hebben, de dualistische structuur van de vennootschap en het feit dat economische bindingen veelal verlopen via de aan aandelen gekoppelde zeggenschap.30 Over wat het maximale percentage dan zou moeten zijn, bestaat in de literatuur geen eenduidigheid en evenmin over de sanctie indien die bovengrens wordt overschreden.31
De wetgever heeft niet gekozen voor een maximum percentage uit te geven stemrechtloze aandelen.32Art. 2:175 lid 1 BW, laatste volzin, bepaalt immers dat ten minste één aandeel met stemrecht wordt gehouden door een andere dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen.
De vraag blijft hoe het criterium van ‘de meerderheid der aandelen’ moet worden ingevuld. Het antwoord op die vraag is in de flex-BV er niet makkelijker op geworden. Naast winstrechtloze en stemrechtloze aandelen kunnen in de flex-BV ook aandelen met volledig stemrecht, beperkt stemgerechtigde aandelen, beperkt winstgerechtigde aandelen en aandelen met gedifferentieerd stemrecht worden uitgegeven.33 Met het oog op de strekking van art. 1:88 BW en de in het handelsverkeer vereiste rechtszekerheid zal de feitenrechter het formele en materiële criterium terughoudend moeten toetsen en zullen slechts eenvoudige situaties het formele en materiële criterium kunnen doorstaan. In het door mij gegeven, extreme voorbeeld houdt de bestuurder het enige winstrechtloze aandeel en slechts één stemrechtloos aandeel. Er is dan weliswaar sprake van de combinatie zeggenschap (in het voorbeeld volledige zeggenschap) en financieel belang, maar het wringt toch.
Om niettemin een grens te stellen wat betreft het financiële belang pleit ik ervoor aan te sluiten bij art. 2:346 lid 1 onder b BW.34 Tot het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 BW is – kort gezegd – bevoegd de aandeelhouder die tien procent van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap houdt. Ten aanzien van deze kapitaaleis geldt wat mij betreft alleen dit proportionele minimumvereiste en geen absoluut minimumvereiste van een bedrag aan gehouden aandelen. Bij het houden van tien procent van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap kan naar mijn mening – hoewel arbitrair – van enig substantieel belang worden gesproken.35 De grens van tien procent sluit ook aan bij het bepaalde in art. 2:220 (oud) BW.36 Dat artikel stelde dezelfde grens – thans één procent – voor het bijeenroepen van een algemene vergadering na rechterlijke machtiging. Bij de berekening van die grens dient rekening gehouden te worden met het bepaalde in art. 2:24d jo. 2:228 lid 6 BW.37 De grens van tien procent komt ook terug in art. 1 Pensioenwet.38
Een dergelijk proportioneel minimumvereiste komt ook het handelsverkeer en de rechtszekerheid ten goede. Het financiële belang van de handelende bestuurder is in dat geval eenvoudig toetsbaar. Voor de rechtspraktijk, meer in het bijzonder de financieringspraktijk, kunnen daarmee discussies achteraf worden voorkomen.39 In het kader daarvan merk ik nog op dat op de crediteur een onderzoeksplicht rust ten aanzien van de bevoegdheid van de handelend bestuurder als (aspirant-)borg, bijvoorbeeld of die bestuurder gehuwd is, en zo ja, of diens echtgenote toestemming voor het aangaan van de borgtocht heeft verleend.40 Raadpleging van het handelsregister is vereist en kan uitkomst bieden.41