Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.4.0
5.3.4.0 Introductie
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ormerod & Williams 2007, par. 1.03.
Griew 1995, par. 1.01.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.03-1.07.
Het gaat dan bijvoorbeeld om de termen ‘menaces’ in blackmail en ‘receives’ in handling stolen goods.
Ormerod & Williams 2007, par. 1.10-1.12.
Het verschil tussen ‘a view to gain’ and ‘for the thief’s own benefit’ is niet meteen duidelijk. De bepaling is bijna letterlijk overgenomen uit het voorstel van de CLRC. Volgens de Notes on Draft Bill (annex 2 bij het rapport van de CLRC) maakt deze bepaling duidelijk dat het toe-eigenen van een goed ook theft kan opleveren als het niet wordt gedaan met de bedoeling winst of voordeel te behalen. Dus ook het toe-eigenen van een waardeloos goed of het toe-eigenen van een goed met de bedoeling het meteen te vernietigen levert theft op. Ormerod en Williams noemen als voorbeeld het geval waarin de verdachte brieven van een derde door de wc spoelt en het geval waarin een verdachte het paard van een derde in een mijnschacht laat verdwijnen. In die gevallen is de verdachte schuldig aan theft niet tegenstaande dat zijn enige bedoeling was om de derde nadeel toe te brengen (en niet om zelf voordeel te behalen), vgl. Ormerod & Williams 2007, par. 2.271.
De CLRC presenteerde haar rapport, met als bijlage een Draft Theft Bill, in september 1966 aan het parlement. De Draft Bill was de basis voor de Theft Bill die in december 1967 bij het House of Lords werd geïntroduceerd. The Bill ontving in juli 1968 de Royal Assent. De Act, waarin de voorstellen van de CLRC grotendeels zijn overgenomen1, trad in werking op 1 januari 1969.2
De Theft Act 1968 maakte een eind aan het oude systeem van de law of larceny en bracht een nieuwe start op het gebied van de vermogensdelicten. De definitie van theft omvat zoals gezegd zowat alle vormen van oneerlijk gedrag als vastgelegd in de oude bepalingen omtrent larceny, embezzlement en fraudulent conversion. Dat alle problemen daarmee zijn opgelost, bleek echter een illusie. Ook de interpretatie van de delictsomschrijvingen uit de Theft Act heeft geleid tot veel en ingewikkelde jurisprudentie.3 Bij de interpretatie van de Theft Act hoeft in beginsel niet te worden teruggegrepen op de oude common law en de Larceny Act. Dat neemt niet weg dat op sommige plaatsen in de Theft Act termen met een vaste betekenis uit de Larceny Act zijn overgenomen, waarvan moet worden aangenomen dat zij hun betekenis hebben behouden.45
S. 1 van de Theft Act 1968 geeft zoals gezegd de basisdefinitie van theft:
A person is guilty of theft if he dishonestly appropriates property belonging to another with the intention of permanently depriving the other of it; and “thief” and “steal” shall be construed accordingly.
It is immaterial whether the appropriation is made with a view to gain, or is made for the thief’s own benefit.6
The five following sections of this Act shall have effect as regards the interpretation and operation of this section (and, except as otherwise provided by this Act, shall apply only for purposes of this section).”
Zoals s. 1(3) al aankondigt, zijn in ss. 2 tot en met 6 de verschillende bestanddelen nader uitgewerkt. Het betreft (i) dishonestly; (ii) appropriation; (iii) property; (iv) belonging to another; en (v) intention permanently to deprive. In het navolgende bespreek ik die verschillende bestanddelen en zo nodig de bijbehorende jurisprudentiële ontwikkelingen kort, met nadruk op het bestanddeel appropriation. Dat bestanddeel zorgt voor veel discussie en lijkt het meest in de buurt te komen van ons ‘wegnemen’.