Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.11.1
6.11.1 Het Juliana Ziekenhuis
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484314:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
L.C.A. Verstappen, ‘Gebrekkige splitsing in appartementsrechten van een erfpachtsrecht’, WPNR 2011/6871 en L.C.A. Verstappen, ‘Naschrift’, WPNR 2011/6890.
V. Tweehuysen, ‘Reactie op: Gebrekkige splitsing in appartementsrechten van een erfpachtsrecht’, WPNR 2011/6890.
Verstappen voegt hier aan toe dat het een relatieve nietigheid betreft en dat de Gemeente Amsterdam alsnog toestemming kan verlenen middels bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW. Zie: L.C.A. Verstappen, ‘Gebrekkige splitsing in appartementsrechten van een erfpachtsrecht’, WPNR 2011/6871 en L.C.A. Verstappen, ‘Naschrift’, WPNR 2011/6890.
Verstappen besprak in 2011 in het WPNR de volgende casus:
Aan de Bilderdijkkade in Amsterdam was een ziekenhuis (het Juliana Ziekenhuis) gevestigd waartoe ook een dienstwoning behoorde. Het ziekenhuis en de dienstwoning bevonden zich op één kadastraal perceel. De grond was door de gemeente Amsterdam uitgeven in erfpacht. Op een gegeven moment werd het ziekenhuis gesloopt. De dienstwoning bleef behouden. Het kadastrale perceel werd op een zeker moment gesplitst in twee kadastrale percelen. Op het gedeelte van het terrein waar het ziekenhuis stond, werd een appartementencomplex gebouwd, waarop de splitsing in appartementsrechten zag.1
De rechtsvraag die aanvankelijk rees was of de splitsing in appartementsrechten geldig was nu slechts een gedeelte van het recht van erfpacht gesplitst was.
Verstappen stelt mijns inziens terecht dat de splitsing in appartementsrechten nietig is indien in de akte een beding zoals bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW is opgenomen. In dat geval had de erfpachter immers toestemming nodig van de bloot eigenaar om (een gedeelte van) het recht van erfpacht te splitsen.
In reactie hierop schrijft Tweehuysen dat het maar de vraag is of een gedeelte van het recht van erfpacht gesplitst is in appartementsrechten. Zij stelt dat het ‘even aannemelijk’ is dat de kadastrale perceelsgrens wél overeenstemt met de eigendomsgrens:
“In het dagelijks taalgebruik wordt dan wellicht gesproken van één erfpachtrecht op de twee percelen, bijvoorbeeld omdat de erfpachtsrechten tegelijkertijd gevestigd zijn of omdat zij dezelfde inhoud hebben. Vanwege het specialiteitsbeginsel gaat het dan in feite echter om twee eigendomsrechten met op elk daarvan een erfpachtsrecht. In dat geval lost het probleem van de vragensteller zich vanzelf op en is er geen sprake van een nietige splitsing. Het gaat dan immers niet om “slechts een gedeelte van een erfpachtsrecht [dat] in appartementen is gesplitst”. De erfpacht is niet gesplitst “als ware het kadastrale perceel 1 een afzonderlijk erfpachtsrecht”, het ís een afzonderlijk erfpachtsrecht. Dat afzonderlijke erfpachtsrecht is gesplitst en het andere erfpachtsrecht is overgedragen. Daar is niets gebrekkigs aan. Het is voor de beantwoording van de rechtsvraag dus cruciaal de voorvraag te beantwoorden of het hier gaat om één of twee eigendomsrechten.”2
Tweehuysen stelt hier dat het kan zijn dat het twee eigendomsrechten betrof met daarop twee (afzonderlijke) rechten van erfpacht, “bijvoorbeeld omdat de twee erfpachtsrechten tegelijkertijd gevestigd zijn of omdat zij dezelfde inhoud hebben”. Deze stelling deel ik niet, althans niet zonder enig voorbehoud. Indien het bloot eigendom in één hand is (in dezen de Gemeente Amsterdam) en de rechten van erfpacht tegelijk gevestigd zijn en dezelfde inhoud hebben, dan leidt dit ertoe dat er sprake is van één eigendomsrecht, met daarop één recht van erfpacht. De grenzen van zowel het eigendomsrecht op de grond, als het recht van erfpacht liggen daar waar de rechtstoestand wijzigt. Ervan uitgaande dat het recht van erfpacht, dat zowel de dienstwoning als het ziekenhuis omvatte, op hetzelfde moment gevestigd was, met dezelfde inhoud, was er sprake van één bloot eigendomsrecht en één recht van erfpacht.
Vervolgens stelt Tweehuysen dat indien het twee afzonderlijke rechten van erfpacht waren er geen sprake is van een nietige splitsing, omdat in dat geval niet ‘een gedeelte van het recht van erfpacht was gesplitst’. Zij sluit haar betoog af door te stellen dat de ‘cruciale voorvraag’ in dezen is ‘of het hier gaat om één of twee eigendomsrechten’.
Ik ben het met Verstappen eens dat de kadastrale splitsing van het perceel in twee kadastrale percelen niet tot gevolg heeft dat hierdoor het recht van erfpacht gesplitst werd. Nadien werd echter een gedeelte van het erfpachtsrecht gesplitst in appartementsrechten. Dit leidt wél tot splitsing van het erfpachtsrecht. Door de gedeeltelijke splitsing in appartementsrechten, is er een wijziging in de rechtstoestand ontstaan: het gedeelte waarop de dienstwoning staat, is immers niet betrokken in de appartementensplitsing. Het gedeelte waar het ziekenhuis stond wel. Door deze wijziging in rechtstoestand is het recht van erfpacht gesplitst en zijn er twee rechten van erfpacht ontstaan: één gesplitst in appartementsrechten, en één ongesplitst recht van erfpacht. Hierdoor is tevens het onderliggende (blote) eigendomsrecht van de gemeente gesplitst.
De appartementensplitsing is vergelijkbaar met overdracht van een gedeelte van het recht van erfpacht in de zin van art. 5:91 lid 2 BW. Stel dat het gedeelte van het erfpachtsrecht waarop het ziekenhuis zich bevond niet in appartementsrechten was gesplitst, maar dat dit gedeelte van het erfpachtsrecht was overgedragen. Of hiervoor toestemming van de bloot eigenaar nodig is, hangt af van of hierover iets opgenomen is in de vestigingsakte. De overdracht van het gedeelte van het erfpachtsrecht waarop het ziekenhuis zich bevond zou resulteren in de splitsing van het recht van erfpacht (en tevens van het onderliggende eigendomsrecht). In deze casus wordt echter niet een gedeelte van het erfpachtsrecht overgedragen, maar wordt een gedeelte gesplitst in appartementsrechten. Dit heeft echter dezelfde juridische gevolgen als overdracht van een gedeelte van het erfpachtsrecht: het erfpachtsrecht wordt gesplitst en hierdoor wordt tevens het onderliggende eigendomsrecht gesplitst. De appartementensplitsing is enkel nietig indien de akte van vestiging van het recht van erfpacht een toestemmingsbeding voor het splitsen bevatte en deze toestemming van de Gemeente Amsterdam (als bloot eigenaar) ontbrak.3
Naar aanleiding van de hierboven beschreven casus ontstond in de literatuur overigens nog een andere discussie, namelijk over de vraag of één recht van erfpacht meerdere onroerende zaken kan omvatten. Deze discussie is eigenlijk terug te voeren op de vraag of één eigendomsrecht ook betekent dat iets één zaak is, zoals reeds besproken in hoofdstuk 4 van deze dissertatie. Ik kom er in het navolgende nog kort op terug.