Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.1.0.a
Fysieke identiteit en integriteit
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455592:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 366-367.
EHRM 7 februari 2002, appl. no. 53176/99, r.o. 54 (Mikulic vs. Kroatië). Zie ook R. Larsen, D. Buss & A. Wismeijer, Personality Psychology: Domains of Knowledge about Human Nature, Boston, MA: McGraw-Hill Higher Education 2013, p. 4.
Zie onder andere EHRM 6 februari 2001, appl. no. 44599/98, r.o. 47 (Bensaid vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 30 april 2009, appl. no. 13444/04, r.o. 52, 54 (Glor vs. Zwitserland) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 151 (Nada vs. Zwitserland).
Zie voor niet noodzakelijk ingrijpen EHRM 9 maart 2004, appl. no. 61827/00, r.o. 70 (Glass vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 3 juli 2012, appl. no. 34806/04, r.o. 212 (X. vs. Finland). Zie voor noodzakelijk ingrijpen zonder toestemming EHRM 7 oktober 2008, appl. no. 35228/03 (Bogumil vs. Portugal). Zie voor levensverlengende behandelingen EHRM 13 november 2012, appl. nos. 47039/11 & 358/12, r.o. 116 (Hristozov en anderen vs. Bulgarije).
EHRM 6 februari 2001, appl. no. 44599/98 (Bensaid vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 11 juli 2006, NJ 2007, 226, r.o. 46 (Jalloh vs. Duitsland) en EHRM 26 november 2009, appl. no. 35744/05 (Ustarkhanova vs. Rusland).
EHRM 24 juli 2014, appl. no. 28761/11 (Al Nashiri vs. Polen).
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM Bulletin 2009, 4, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 20 maart 2007, appl. no. 5410/03, r.o. 107 (Tysiąc vs. Polen).
EHRM (GK) 12 november 2013, appl. no. 5786/08, r.o. 80 (Söderman vs. Zweden).
EHRM 9 december 1994, appl. no. 16798/90, r.o. 46-58 (Lopez Ostra vs. Spanje) en EHRM (GK) 19 februari 1998, appl. no. 14967/89, r.o. 58-60 (Guerra en anderen vs. Italië) en EHRM 24 juli 2014, appl. nos. 60908/11, 62110/11, 62129/11, 62312/11 & 62338/11 (Brincat en anderen vs. Malta).
Het eerste aspect van het privéleven dat wordt behandeld, is de fysieke identiteit en integriteit.1 Het privéleven omvat natuurlijk het lichaam en alles wat daaronder is te scharen. Zonder respect voor het lichaam wordt het begrip privéleven een holle leus. De bescherming van en beschikking over het lichaam is een noodzakelijke voorwaarde om de andere facetten van het begrip privéleven en het volledige recht op respect voor privacy te genieten. Als in de hals van elk lichaam een microfoon en transmitter worden geïmplanteerd, is het recht op respect voor correspondentie en sociale contacten betekenisloos. Een enorme verscheidenheid aan onderwerpen vallen onder de begrippen fysieke identiteit en integriteit.
Wat betreft de fysieke identiteit is een belangrijk onderwerp het recht op kennis over de biologische afkomst. De biologische afkomst, en daarmee de basis voor de fysieke identiteit, vormt een belangrijk onderdeel van het begrip privéleven. De genetische predisposities vormen namelijk een fundament voor de persoonlijkheid.2 Verder wordt het onderwerp gezondheid onder het begrip fysieke integriteit geplaatst,3 evenals beslissingen met betrekking tot welzijn en de dood.4 Dit onderwerp is voor het strafprocesrecht van belang. Ook het gevaar voor marteling na terugkeer in het land van het herkomst5 valt bijvoorbeeld hieronder of het onder dwang afnemen van lichaamsmateriaal. Overigens wordt bij grove inbreuken op de gezondheid, die het minimum niveau van ernst van artikel 3 EVRM overschrijden, de klacht niet ook afzonderlijk onder artikel 8 EVRM beoordeeld6 of de schending van artikel 3 EVRM is ipso facto ook een schending van artikel 8 EVRM.7 Bij inbreuken op de fysieke integriteit bestaat derhalve een tweetrapssysteem. Inbreuken die het minimum niveau van ernst van de laagste gradatie van artikel 3 EVRM overschrijden, worden als onder het folterverbod behandeld. Andere, lichtere inbreuken op de fysieke integriteit kunnen als inbreuken op het recht op respect voor privacy worden afgedaan. Dit houdt in dat een lichamelijk onderzoek niet alleen de toets van artikel 3 EVRM maar ook die van artikel 8 EVRM moet doorstaan. Dat tweede is belangrijk omdat de inbreuk op privacy vervolgens onder lid 2 van artikel 8 EVRM moet worden gerechtvaardigd en ook een ‘lichte’ inbreuk op de fysieke integriteit is dus niet altijd legitiem.8
Het begrip privéleven en het onderdeel fysieke integriteit omvatten niet enkel onthoudingsverplichtingen. Tevens worden positieve verplichtingen op dit deel van het recht op respect voor privacy gebaseerd. In algemene zin is de staat ‘under a positive obligation to secure to its citizens their right to effective respect for (physical, DvT) integrity’.9 Dus niet alleen wordt de fysieke integriteit beschermd tegen inbreuken, ook moet de staat deze bescherming bevorderen. Een positieve verplichting die het EHRM aan staten heeft opgelegd, is dat een legal framework moet bestaan dat de gezondheid beschermt tegen geweld.10 Daarnaast moet de overheid ‘environmental hazards’ proberen te voorkomen.11
Kortom, als eerste onderdeel van het begrip privéleven zijn de onderdelen fysieke identiteit en integriteit behandeld. Kort gezegd, behelst het privéleven kennis over de biologische afkomst, omdat dit een belangrijk fundament voor de fysieke identiteit vormt, en beslissingsruimte over de eigen gezondheid en de bescherming door de staat van de gezondheid. Specifiek voor het strafprocesrecht van belang is dat verschillende opsporingsmethoden inbreuk maken op de fysieke integriteit, zoals de afname van lichaamsmateriaal en het onder dwang toedienen van braakmiddelen. Het lichaam is bij deze methoden object van onderzoek. Voor (neuro)geheugendetectie betekent dit dat het biologische spoor en de fixatie onder dit onderdeel van artikel 8 EVRM vallen en dienaangaande moeten worden beoordeeld.