Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.6
3.5.6 De vormgeving van het kiesstelsel
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233631:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 31 maart 1992, 503 U.S. 442 (Department of Commerce v. Montana).
Zie 2 U.S.C. § 2 (a).
U.S. Supreme Court 31 maart 1992, 503 U.S. 442 (Department of Commerce v. Montana), 457.
Idem, p. 465-466: ‘The decision to adopt the method of equal proportions was made by Congress after decades of experience, experimentation, and debate about the substance of the constitutional requirement. Independent scholars supported both the basic decision to adopt a regular procedure to be followed after each census and the particular decision to use the method of equal proportions. For a half century, the results of that method have been accepted by the States and the Nation.’
Idem, p. 457-458.
Idem, p. 459.
De zaak Department of Commerce v. Montana bevestigt een en ander.1 Deze zaak gaat over de wijze waarop het aantal leden van het federale Huis van Afgevaardigden per staat moet worden vastgesteld. Met het oog daarop heeft het Congres in 1941 wetgeving aangenomen waarin is bepaald dat het aantal afgevaardigden op evenredige wijze moet worden vastgesteld op basis van het totale aantal kiesgerechtigden in een deelstaat. Daarbij geldt dat iedere staat minimaal één afgevaardigde mag leveren. Het aantal kiesgerechtigden per afgevaardigde kan daardoor voor de ene deelstaat groter zijn dan voor een andere deelstaat.2
De staat Montana, die als gevolg van demografische veranderingen een afgevaardigde minder mocht leveren, meende dat de methode om het aantal afgevaardigden per staat vast te stellen ongrondwettig was. Ook hier speelde het eerder in dit hoofdstuk besproken ‘one person, one vote’-beginsel een belangrijke rol. Daarbij moet worden bedacht dat, door het verminderen van het aantal afgevaardigden dat kon worden gekozen, de stem van individuele burgers feitelijk minder effectief werd.3
Het Hof concludeerde dat de voorgeschreven methode om het aantal afgevaardigden per staat vast te stellen niet in strijd is met de Amerikaanse Grondwet. Volgens het Hof gaf deze methode blijk van een oprechte poging van het Congres om tot een zo volledig mogelijke gelijkheid van de stemmen te komen.4 Daaraan voorafgaand overwoog het dat hier geen sprake was van een political question, zoals de regering had aangevoerd. In lijn met Baker v. Carr bevestigde het Hof hierbij dat de politieke gevoeligheid van een zaak op zichzelf geen political question oplevert. Volgens het Hof werd de rechter ook in dit geval gevraagd om het uitleggen en toepassen van de Amerikaanse Grondwet:
‘The case before us […] is ‘political’ in the same sense that Baker v. Carr was a ‘political case’. It raises an issue of great importance to the political branches. The issue has motivated partisan and sectional debate during important portions of our history. Nevertheless, the reasons that supported the justiciability of challenges to state legislative districts, as in Baker v. Carr, […] apply with equal force to the issues presented by this litigation. The controversy […] turns on the proper interpretation of the relevant constitutional provisions. As our previous rejection of the political question doctrine in this context should make clear, the interpretation of the apportionment provisions of the Constitution is well within the competence of the Judiciary.’5
Een nadere beschouwing over de Baker-factoren achtte het Hof niet nodig:
‘Without the need for another exploration of the Baker factors, it suffices to say that, as in Baker itself and the apportionment cases that followed, the political question doctrine does not place this kind of constitutional interpretation outside the proper domain of the Judiciary.’6