Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.4
3.5.4 Politieke patronage
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233723:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 28 juni 1976, 427 U.S. 347 (Elrod v. Burns).
Idem, p. 350-351.
Idem, p. 367.
Idem, p. 352.
Het Hof heeft onlangs overigens laten doorschemeren bereid te zijn deze benadering in een toekomstige zaak te heroverwegen. Zie U.S. Supreme Court 27 juni 2018, 138 S.Ct. 2448 (Janus v. AFSCME), over de vraag of vakbonden een financiële bijdrage van niet-leden kunnen vragen.
U.S. Supreme Court 31 maart 1980, 445 U.S. 507 (Branti v. Finkel); U.S. Supreme Court 21 juni 1990, 497 U.S. 62 (Rutan v. Republican Party of Illinois).
U.S. Supreme Court 21 juni 1990, 497 U.S. 62 (Rutan v. Republican Party of Illinois), 114 (Scalia, J., dissenting).
U.S. Supreme Court 28 juni 1996, 518 U.S. 668 (Board of County Commissioners v. Umbehr); U.S. Supreme Court 28 juni 1996, 518 U.S. 712 (O'Hare Truck Service v. City of Northlake).
Een ander terrein waarop het Hooggerechtshof zich in vergelijkbare termen over de political question-doctrine heeft uitgesproken, betreft de aanstelling van ambtenaren op basis van hun politieke voorkeur. Dit wordt ook wel politieke patronage genoemd.
Het vertrekpunt hierbij vormt de zaak Elrod v. Burns.1 Concreet ging het daarin om het ontslag van enkele ambtenaren die in dienst waren van het bestuur van een gemeenschap in de staat Illinois. Deze werknemers hadden een Republikeinse achtergrond en waren ontslagen nadat een Democratische kandidaat de meest recente verkiezingen had gewonnen. Volgens de ontslagen werknemers was hun ontslag uitsluitend gebaseerd op hun politieke voorkeur en daarom onrechtmatig. Daarbij deden zij een beroep op de vrijheid van meningsuiting en de Equal Protection Clause.2
Het Hof volgde dit betoog en oordeelde dat het ontslag onrechtmatig was. De politieke voorkeur van ambtenaren kan in beginsel geen reden zijn voor ontslag. Dit is volgens het Hof alleen anders indien de politieke voorkeur van een ambtenaar noodzakelijk is om een functie naar behoren te kunnen uitoefenen.3 Van een political question was geen sprake omdat de rechter ook hier in essentie werd gevraagd om het uitleggen en toepassen van de Amerikaanse Grondwet:
‘This involves solely a question of constitutional interpretation, a function ultimately the responsibility of this Court. Petitioners do not, and could not, argue that a decision as to the constitutionality of the Sheriff's practices should be left to Congress or the President. The political question doctrine, therefore, is no obstacle to judicial review in this case.’4
Algemeen wordt aangenomen dat het Hof hiermee politieke patronage in de Amerikaanse politiek grotendeels ongrondwettig verklaarde.5 In latere zaken zou het Hof zijn oordeel in Elrod v. Burns bevestigen en toepassen op beslissingen over het aannemen, promoveren en herplaatsen van ambtenaren.6
Toch was de discussie over de toepassing van de political question-doctrine in geschillen over ambtenaren daarmee niet geheel ten einde. Voor sommige, conservatief georiënteerde leden van het Hof waren deze latere zaken aanleiding om te betogen dat beslissingen over het aannemen, ontslaan, promoveren en herplaatsen van ambtenaren op basis van hun politieke voorkeur wel degelijk als een political question hebben te gelden, zonder daarbij te verwijzen naar Baker v. Carr of de afzonderlijke Baker-factoren:
‘The appropriate ‘mix’ of party-based employment is a political question if there ever was one, and we should give it back to the voters of the various political units to decide […].’7
De meerderheid ging aan dit betoog echter volledig voorbij, vermoedelijk omdat het Hof het beroep op de doctrine in Elrod v. Burns uitdrukkelijk had verworpen.8