Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.7:3.5.7 Native Americans
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.7
3.5.7 Native Americans
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233724:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 5 januari 1903, 187 U.S. 553 (Lone Wolf v. Hitchcock).
Idem, p. 565.
U.S. Supreme Court 23 februari 1977, 430 U.S. 73 (Delaware Tribal Business Committee v. Weeks).
Idem, p. 84.
U.S. Supreme Court 30 juni 1980, 448 U.S. 371 (United States v. Sioux Nation of Indians).
Idem, p. 413.
U.S. Supreme Court 4 maart 1985, 470 U.S. 226 (County of Oneida v. Oneida Indian Nation).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De political question-doctrine is na Baker v. Carr ten slotte ook ter sprake gekomen in zaken die raken aan de rechtspositie van de oorspronkelijke bewoners van Amerikaans grondgebied. In de volksmond worden deze bewoners aangeduid als indianen. Officieel worden zij echter ook wel ‘native Americans’ genoemd. Zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, heeft het Hof beslissingen van de andere staatsmachten die raken aan de rechtspositie van deze bewoners in diverse zaken vóór Baker v. Carr als een political question aangemerkt. Een voorbeeld van een dergelijke zaak is Lone Wolf v. Hitchcock.1 Daarin oordeelde het Hof meer in algemene zin dat beslissingen die raken aan de rechtspositie van indianen een politiek karakter hebben en daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling kunnen worden onderworpen:
‘Plenary authority over the tribal relations of the Indians has been exercised by Congress from the beginning, and the power has always been deemed a political one, not subject to be controlled by the judicial department of the government.’2
Zoals gezegd, was het voor de andere staatsmachten hierdoor mogelijk om de rechten van native Americans en eerder met hen gemaakte afspraken ingrijpend aan te tasten.
In latere rechtspraak heeft het Hof deze benadering echter verlaten. Ter illustratie kan worden gewezen op de zaak Delaware Tribal Business Committee v. Weeks.3 Daarin werd het Hof gevraagd zich uit te spreken over het toekennen en onthouden van federale fondsen aan bepaalde indianenstammen. Hoewel het Congres volgens het Hof grote discretie heeft bij het toekennen van federale fondsen en de rechter bij de beoordeling van dergelijke beslissingen terughoudendheid moet betrachten, betekende dit niet dat er voor de rechter hierbij geen enkele rol is weggelegd. Daarbij nuanceerde het Hof zijn eerdere benadering uit Lone Wolf v. Hitchcock en benadrukte het dat de rechter ook hier in wezen werd gevraagd om het uitleggen en toepassen van de Amerikaanse Grondwet:
‘The statement in Lone Wolf that the power of Congress has always been deemed a political one, not subject to be controlled by the judicial department of the government, however pertinent to the question then before the Court of congressional power to abrogate treaties, has not deterred this Court, particularly in this day, from scrutinizing Indian legislation to determine whether it violates the equal protection component of the Fifth Amendment. The power of Congress over Indian affairs may be of a plenary nature, but it is not absolute.’4
Deze nuancering stelde het Hof in staat zich ook uit te spreken over andere aangelegenheden die raken aan de rechtspositie van indianen. In United States v. Sioux Nation of Indians werd het bijvoorbeeld gevraagd zich uit te laten over met de Sioux-indianen gemaakte afspraken over de gebieden waar zij mochten wonen en jagen.5 Deze afspraken mochten in beginsel alleen met instemming van driekwart van de Sioux worden gewijzigd. Nadat de Sioux in strijd met deze voorwaarde alsnog waren gedwongen om een deel van deze gebieden over te dragen, vroegen zij om compensatie. Het Hof erkende niet alleen het recht daarop, maar herhaalde daarbij ook dat het zijn eerdere benadering uit Lone Wolf v. Hitchcock inmiddels aanzienlijk had genuanceerd:
‘[I]t seems that the Court’s conclusive presumption of congressional good faith [in Lone Wolf v. Hitchcock] was based in large measure on the idea that relations between this Nation and the Indian tribes are a political matter, not amenable to judicial review. That view, of course, has long since been discredited in takings cases, and was expressly laid to rest in Delaware Tribal Business Comm[ittee] v. Weeks.’6
Ook in latere zaken zou het Hof bevestigen dat de political question-doctrine niet langer in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van geschillen die raken aan de rechtspositie van native Americans.7