Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.2
3.5.2 De toelating en verkiezing van volksvertegenwoordigers
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233722:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 16 juni 1969, 395 U.S. 486 (Powell v. McCormack).
Idem, p. 489-494.
Idem, p. 506-512.
Zie over dit onderscheid bijv. Rotunda 2004, p. 9-10; Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 267.
Idem, p. 518-548.
Idem, p. 549.
Idem, p. 508.
U.S. Supreme Court 23 februari 1972, 405 U.S. 15 (Roudebush v. Hartke).
Idem, p. 25-26: ‘A recount does not prevent the Senate from independently evaluating the election any more than the initial count does. The Senate is free to accept or reject the apparent winner in either count, and, if it chooses, to conduct its own recount.’
Idem, p. 19.
Een eerste voorbeeld betreft de zaak Powell v. McCormack.1 Deze zaak gaat over een geschil over de toelating van de heer Powell als lid van het federale Huis van Afgevaardigden. Het Huis weigerde Powell, hoewel rechtmatig gekozen, als lid toe te laten omdat hij in het verleden was veroordeeld voor het verduisteren van publieke middelen.
Powell betoogde dat deze weigering van het Huis onverenigbaar was met artikel I, § 2, van de Amerikaanse Grondwet. Daarin is voorgeschreven dat een afgevaardigde minimaal 25 jaar oud moet zijn, zeven jaar het Amerikaans staatsburgerschap moet hebben en moet wonen in de deelstaat waarin hij is gekozen. Vast stond dat Powell aan deze voorwaarden voldeed. Volgens Powell kon zijn veroordeling voor het verduisteren van publieke middelen geen reden zijn om hem de toegang tot het Huis te ontzeggen. Om toelating alsnog af te dwingen, startte hij een procedure tegen de voorzitter van het Huis, Speaker McCormack.2
McCormack betoogde dat sprake was van een political question. Daartoe wees hij op artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet. Deze bepaling bevat niet alleen de bevoegdheid voor de Senaat en het Huis van Afgevaardigden om de verkiezing en bekwaamheid van hun leden te beoordelen, maar ook om leden te bestraffen en uit hun functie te zetten:
‘Each House shall be the Judge of the Elections, Returns and Qualifications of its own Members, and […] may […] punish its Members for disorderly Behaviour, and, with the Concurrence of two thirds, expel a Member.’
Volgens McCormack hebben de Senaat en het Huis grote vrijheid bij de toepassing van deze bevoegdheden om de verkiezing en bekwaamheid van hun leden na te gaan en leden uit hun functie te zetten, en daarmee ook de bevoegdheid om leden te weigeren vóórdat zij zitting nemen in de Senaat of het Huis.3 Anders dan voor het gekozen en toegelaten leden ontnemen van hun lidmaatschap (‘expulsion’), waarvoor op grond van artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet een tweederdemeerderheid is vereist, is voor de weigering om een gekozen lid op voorhand toe te laten (‘exclusion’) slechts een gewone meerderheid vereist.4
Het Hof was niet gevoelig voor dit betoog. Bij zijn beoordeling of in dit geval van een political question sprake was, legde het de nadruk op de eerste Baker-factor, en daarmee op de vraag of een onderwerp aan de orde was dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan een van de andere staatsmachten te zijn opgedragen. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend. Onder uitvoerige verwijzing naar historische bronnen concludeerde het dat de bevoegdheid in artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet voor de Senaat en het Huis van Afgevaardigden om de bekwaamheid van hun leden te beoordelen alleen betrekking heeft op de in artikel I, § 2, gestelde voorwaarden om als lid te kunnen worden gekozen. Powell voldeed aan deze voorwaarden. Volgens het Hof is er geen grondwettelijke bevoegdheid voor het Huis om naar eigen inzicht op andere gronden te besluiten om een gekozen lid niet toe te laten. De eerste Baker-factor was daarom niet van toepassing.5
Ook de andere Baker-factoren waren niet aan de orde. Volgens het Hof waren er geen beleidsbeslissingen met een politiek karakter noodzakelijk voordat het geschil kon worden beslecht. Evenmin zou een inhoudelijk oordeel van de rechter leiden tot het niet langer in acht nemen van de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten, tot een doorkruising van een eerdere beslissing van een van de andere staatsmachten, of tot een ‘embarrassing confrontation’ met een van de andere staatsmachten. Daarbij benadrukte het Hof dat de rechter in essentie werd gevraagd om de Amerikaanse Grondwet uit te leggen en toe te passen. Dit is bij uitstek de taak van de rechter. Dat de uitkomst daarvan mogelijk niet op instemming van de andere staatsmachten kan rekenen, maakt dit niet anders:
‘Our system of government requires that federal courts on occasion interpret the Constitution in a manner at variance with the construction given the document by another branch. The alleged conflict that such an adjudication may cause cannot justify the courts’ avoiding their constitutional responsibility.’6
Het Hof concludeerde dat, nu Powell aan alle toepasselijke voorwaarden voldeed, het Huis van Afgevaardigden niet bevoegd was hem de toegang tot het Huis te weigeren.
Toch is het met dit oordeel van het Hof in Powell v. McCormack niet gezegd dat zich op dit terrein geen political questions kunnen voordoen. Het Hof liet nadrukkelijk in het midden of de bestraffing en afzetting van een gekozen en eenmaal toegelaten lid op grond van artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet als zodanig heeft te gelden:
‘The Speaker ruled that the House was voting to exclude Powell, and we will not speculate what the result might have been if Powell had been seated and expulsion proceedings subsequently instituted.’7
Deze overweging suggereert dat een beslissing van de Senaat of het Huis van Afgevaardigden om een gekozen en toegelaten lid uit zijn functie te zetten (‘expulsion’) mogelijk wel als een political question kan worden aangemerkt.
Hetzelfde geldt voor het bepalen van de uitslag van een verkiezing voor de federale Senaat of het federale Huis van Afgevaardigden. Enkele jaren later, in de zaak Roudebush v. Hartke, werd het Hof gevraagd te oordelen over de verkiezingen in de staat Indiana voor een vrijgekomen zetel in de federale Senaat.8 Omdat de verkiezingsuitslag too close to call was, had een statelijke rechter hertellingen gelast. De kandidaat die volgens de voorlopige uitslag had gewonnen, werd voorlopig als senator toegelaten in afwachting van de definitieve uitslag. Het Hof oordeelde dat de door de rechter gelaste hertellingen de bevoegdheid van de Senaat en het Huis op grond van artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet om de verkiezing van hun leden te beoordelen op zichzelf niet zouden aantasten.9 Daarbij overwoog het terloops, zonder Baker v. Carr en de Baker-factoren als zodanig te benoemen:
‘Which candidate is entitled to be seated in the Senate is, to be sure, a nonjusticiable political question – a question that would not have been the business of this Court even before the Senate acted.’10
Indachtig de tekst en strekking van artikel I, § 5, van de Amerikaanse Grondwet is aannemelijk dat in de zojuist bedoelde gevallen in ieder geval de eerste Baker-factor van toepassing is.