Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.3
3.5.3 De totstandkoming van wetgeving
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233654:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 21 mei 1990, 495 U.S. 385 (United States v. Munoz-Flores).
Idem, p. 390-395.
U.S. Supreme Court 21 mei 1990, 495 U.S. 385 (United States v. Munoz-Flores), 390-391. Zie ook U.S. Supreme Court 23 juni 1983, 462 U.S. 919 (INS v. Chadha), 941, over de uitzetting van een vluchteling. De verantwoordelijke minister was voornemens de uitzetting van de vluchteling op te schorten, maar werd overruled door het Congres. Het Hof concludeerde dat de bij wet geboden mogelijkheid voor het Congres om een dergelijke beslissing van de minister te overrulen ongrondwettig was, nu deze mogelijkheid de bevoegdheden en discretie van de minister op dit beleidsterrein doorkruiste. Daarbij overwoog het: ‘[I]f this turns the question into a political question, virtually every challenge to the constitutionality of a statute would be a political question.’
U.S. Supreme Court 21 mei 1990, 495 U.S. 385 (United States v. Munoz-Flores), 394.
Idem, p. 395-396.
Dat bij het uitleggen en toepassen van grondrechten en andere relevante bepalingen van de Amerikaanse Grondwet in de regel geen political question aanwezig is, blijkt ook uit de zaak United States v. Munoz-Flores.1 Daarin moest het Hof zich uitspreken over de veroordeling van de heer Munoz-Flores voor het helpen van vluchtelingen bij het illegaal betreden van Amerikaans grondgebied. Onderdeel van zijn straf was het betalen van kleine geldboetes. Munoz-Flores voerde aan dat de wetgeving op grond waarvan deze boetes waren opgelegd in strijd met de Origination Clause van artikel I, § 7, van de Amerikaanse Grondwet tot stand was gekomen. Op grond van die bepaling moet wetgeving voor het genereren van inkomsten voor de overheid, zoals belastingwetgeving, eerst worden behandeld en goedgekeurd door het Huis van Afgevaardigden:
'All Bills for raising Revenue shall originate in the House of Representatives; but the Senate may propose or concur with Amendments as on other Bills.’
Het Hof zou uiteindelijk oordelen dat de betrokken wetgeving niet in strijd met deze bepaling tot stand was gekomen, nu het primaire doel daarvan niet was gelegen in het genereren van overheidsinkomsten. Daarbij liet het zich echter allereerst uit over de vraag of in dit geval een political question aan de orde was. De regering had betoogd dat dit het geval was, omdat aan zowel de vierde als de tweede Baker-factor was voldaan. Volgens de regering zou een oordeel van de rechter dat een bepaalde wet in strijd met de Origination Clause tot stand is gekomen blijk geven van onvoldoende respect voor de andere staatsmachten. Daarmee zou hij niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de wetgever in acht nemen. Ook ontbrak het volgens de regering aan concrete en bruikbare rechtsnormen.2
Het Hof ging hier niet in mee en oordeelde dat de totstandkoming van wetgeving geen political question betreft. Daartoe overwoog het dat het ook in deze zaak in essentie ging om een beoordeling van de grondwettigheid van wetgeving. Deze beoordeling houdt ook in dat de rechter nagaat of een aangenomen wet in overeenstemming met relevante grondwettelijke procedureregels tot stand is gekomen.3 Hoewel het Hof erkende dat het oordeel dat een aangenomen wet in strijd met dergelijke regels tot stand is gekomen tot op zekere hoogte kan getuigen van een gebrek aan respect voor de wetgever, betekent dit echter niet dat de rechter daarmee niet langer de vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten in acht neemt. Zou dit anders zijn, dan zou volgens het Hof in vrijwel iedere zaak een political question moeten worden aangenomen:
‘The Government may be right that a judicial finding that Congress has passed an unconstitutional law might in some sense be said to entail a ‘lack of respect’ for Congress' judgment. But disrespect, in the sense the Government uses the term, cannot be sufficient to create a political question. If it were, every judicial resolution of a constitutional challenge to a congressional enactment would be impermissible.’4
De vierde Baker-factor was daarom niet van toepassing. Het Hof voegde hieraan toe dat de political question-doctrine ertoe strekt om een ‘inappropriate interference’ van de rechter in het domein van de andere staatsmachten te voorkomen. De doctrine staat op zichzelf los van het belang en de identiteit van eiser:
‘[T]he doctrine is designed to restrain the Judiciary from inappropriate interference in the business of the other branches of Government; the identity of the litigant is immaterial to the presence of these concerns in a particular case.’5
Het Hof overwoog ten slotte dat de Origination Clause zich niet onderscheidde van andere grondwettelijke bepalingen waarover het zich aan de hand van de tekst van de bepaling en de wetsgeschiedenis reeds had uitgesproken. Ook de tweede Baker-factor was daarom in deze zaak niet van toepassing.6