Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1:3.5.1 Buitenlands beleid
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1
3.5.1 Buitenlands beleid
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233709:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De political question-doctrine is na Baker v. Carr ook ter sprake gekomen in zaken die meer in algemene zin betrekking hebben op de vormgeving van het buitenlands beleid. Op zichzelf is dat niet verrassend: zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, raken diverse zaken waarin het Hof vóór Baker v. Carr een political question aanwezig heeft geacht aan de vormgeving van het buitenlands beleid. Daarbij geldt dat de Amerikaanse Grondwet niet alleen aan de President, maar ook aan het Congres uiteenlopende bevoegdheden toekent om dit beleid nader vorm te geven. Vaak gaat het dan om ruime, discretionaire, bevoegdheden.1
Toch is het Hooggerechtshof sinds Baker v. Carr zeer terughoudend bij het aannemen van political questions in zaken op het gebied van het buitenlands beleid. Breyer, één van de huidige negen leden van het Hof, schrijft: ‘[S]ince Baker, the Court has hesitated to apply the political question doctrine even to cases involving foreign affairs.’2 Ik bespreek drie zaken die illustratief zijn voor deze terughoudendheid.
3.5.1.1 Goldwater v. Carter (1979)3.5.1.2 Japan Whaling Association v. American Cetacean Society (1986)3.5.1.3 Zivotofsky v. Clinton (2012)