Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.15
9.4.15 Verjaring
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940766:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 juli 1986, BNB 1986/291.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, HR 10 juni 2011, V-N 2011/29.4, BNB 2011/250. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.3.3.
Zie paragraaf 9.4.14.1.
In dezelfde zin: De Bont in zijn noot bij HR 10 juni 2011, BNB 2011/250 (punt 9). Hij wijst erop dat het arrest waarin de Hoge Raad om ging ten aanzien van de openbare orde-kwesties, slechts twee weken na het arrest HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249 werd gewezen. In laatstgenoemd arrest leek de Hoge Raad nog op het oude spoor te zitten en aan te sluiten bij onweersproken partijstellingen.
Zie paragraaf 15.2.1 en paragraaf 15.2.3. Vanwege de gelijktijdigheidseis is de termijn voor het opleggen van de boete in voorkomende gevallen gekoppeld aan de aanslagtermijn, welke bij aanslagbelastingen wordt verlengd met de termijn waarvoor uitstel is verleend (art. 11 lid 3 en art. 16 lid 3 AWR). Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 38-39 en p. 46.
Zie in dit verband HR 18 april 2014, V-N 2014/20.4, BNB 2014/182.
In deze zin (ten aanzien van de inspecteur): HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.9. In dit arrest leek de Hoge Raad evenwel nog op het oude spoor te zitten en aan te sluiten bij onweersproken partijstellingen, terwijl hij slechts twee weken later om ging ten aanzien van openbare orde-kwesties. Rb Gelderland 14 september 2018, V-N 2018/67.20, r.o. 21, was op dit punt (te) soepel voor de inspecteur, waarover nader in paragraaf 12.3.3.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)’.
HvJ EU 5 december 2017, nr. C-42/17, V-N 2018/2.22. Zie hierover nader paragraaf 12.3.3.
Zie HvJ EU 17 mei 2023 (CEZAM), nr. C-418/22, V-N 2023/25.15, r.o. 26-28 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
Louter voor wat betreft de fiscale bestuurlijke boete (en niet voor wat betreft de heffing1) is het verjaringsvraagstuk effectief van openbare orde verklaard.2 Gelet op de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van ontvankelijkheidskwesties3 is de rechter niet alleen gehouden om ambtshalve te toetsen of de uit het dossier bekende feiten meebrengen dat een opgelegde boete is verjaard, maar moet hij daar ook zelfstandig onderzoek naar verrichten.4 Daaruit volgt dat er met betrekking tot de verjaringstermijn bij de boete geen sprake meer is van een stelplicht, en ook niet meer van een echte bewijslast. Wel doen partijen er uiteraard goed aan om de rechter zoveel mogelijk op weg te helpen. Dit betekent dat het voor de boeteling bijvoorbeeld verstandig is om (in verband met de gelijktijdigheidseis5) bewijs te vergaren van de te late bekendmaking van een aanslag,6 terwijl de inspecteur kan worden aangeraden om het bewijs van eventueel verleend uitstel te verzamelen.7
In EU-rechtelijke context8 zal de rechter die een overschrijding van de verjaringstermijn vaststelt overigens in het achterhoofd moeten houden, dat de verplichtingen uit het EU-recht er juist toe kunnen nopen dat nationale strafrechtelijke verjaringstermijnen buiten toepassing worden gelaten.9 Als het gaat om bijvoorbeeld ernstige BTW-fraude moeten de EU-lidstaten namelijk doeltreffende en afschrikwekkende sancties waarborgen.10 Dat zou dus kunnen betekenen dat zelfs een expliciet beroep op verjaring moet worden afgewezen.