Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.7
9.4.7 Nieuwe bezwaren ex art. 67q AWR
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940383:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 4 lid 2 Zevende Protocol EVRM kan deze regeling naar mijn mening door de beugel. Hoewel het betreffende artikellid ziet op het heropenen van zaken, spreekt het van ‘nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten’. Vermoedelijk is de regeling ook niet strijdig met het Unierecht, zie HvJ EU 5 mei 2022, nr. C-570/20, V-N 2022/23.10 en de Aantekening van de Redactie daarbij. Zie voor de strafrechtelijke pendant art. 255 Sv.
Zie voor een schaars voorbeeld waarin werd getoetst aan art. 67q AWR (en waarin niet voldaan was aan de voorwaarden) Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.7.
De beoordeling van de aanwezigheid van nieuwe bezwaren is beleidsmatig neergelegd bij de boete- en fraudecoördinator, zie par. 16 BBBB. Zie voor de strafrechtelijke tegenhanger van dit voorschrift art. 255 lid 4 Sv (er is een machtiging van de rechter-commissaris nodig om onderzoek te doen naar de nieuwe bezwaren).
Vanwege de verwevenheid met het element ‘bezwaren’, dat in wezen een centrale stelling vormt (zie hierna), ligt het echter voor de hand dat de rechter de aanwezigheid van nieuwe bezwaren ambtshalve kan (of zelfs moet) toetsen. Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.7.
In dezelfde zin, zij het niet expliciet, de regering in de MvT, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3, p. 17-18 en p. 67-68.
Zoals in de voorgaande paragraaf reeds is opgemerkt, is het voor aangiftebelastingen op grond van art. 67q AWR mogelijk om, na een reeds opgelegde verzuimboete, alsnog een vergrijpboete wegens hetzelfde feit op te leggen.1 Aan deze mogelijkheid is echter wel een belangrijke voorwaarde gesteld: er moeten ‘nieuwe bezwaren’ bekend zijn geworden.2 Deze nieuwe bezwaren kunnen blijkens de wettekst louter worden afgeleid uit hetzij verklaringen, hetzij boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.3
De stelplicht en de bewijslast terzake rusten op de inspecteur.4 Met betrekking tot het ‘nieuwe’ aspect is er sprake van een zuiver perifere stelling.5 Op grond van de reguliere regels van bewijslastverdeling dient de inspecteur te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de gerezen bezwaren inderdaad nieuw zijn, dus dat zij pas na het opleggen van de verzuimboete bekend zijn geworden of destijds niet zijn onderzocht. Het gaat immers om een boeteverhogende component. Volgens de wet dient het rapport dat de inspecteur ex art. 5:48 Awb moet opmaken, te vermelden waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.6 Aldus heeft de wetgever deze bewijslastverdeling in feite gecodificeerd.
De ‘bezwaren’ kunnen in wezen alleen de mate van verwijtbaarheid betreffen, aangezien het kale beboetbare feit zelf (evenals de vereiste kwaliteit) reeds moet zijn bewezen ten tijde van het opleggen van de verzuimboete.7 Op grond van de nieuw bekend geworden feiten en omstandigheden blijkt immers achteraf toch sprake te zijn geweest van opzet of grove schuld. Er is dus sprake van de inkleuring van het element opzet of grove schuld. Dat element vormt per definitie een centrale stelling, zodat de bewijslast terzake op grond van de onschuldpresumptie op de inspecteur rust. Om dezelfde reden moet de inspecteur de aanwezigheid van opzet of grove schuld ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen.