Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.10:9.4.10 Onrechtmatig verkregen bewijs
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.10
9.4.10 Onrechtmatig verkregen bewijs
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940560:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de inhoudelijke uitwerking van dit leerstuk zie paragraaf 11.4.
HR 19 december 1990, BNB 1991/176, r.o. 4.3.2.
Zie paragraaf 7.3.4.3.
Zie paragraaf 7.3.6.2.2 en paragraaf 11.4.1. Zie voorts HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, waarin de Hoge Raad in r.o. 3.5 deze door de A-G voorgestane bewijslastverdeling bevestigt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een beroep op het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs1 is in feite een perifere stelling die is gericht tegen het gebruik van een bewijsmiddel dat op onrechtmatige wijze is verkregen. Als dat beroep slaagt, werkt dat in potentie boeteverlagend: een belastend bewijsmiddel dat onrechtmatig blijkt te zijn verkregen, wordt immers van het bewijs uitgesloten. Daarom schrijft de hoofdregel van bewijslastverdeling voor dat de stelplicht en de bewijslast op de boeteling te leggen. Ook de Hoge Raad gaat van deze bewijslastverdeling uit: art. 6 EVRM brengt daarin geen verandering.2 Het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs geldt in de sfeer van de heffing onverkort, en daar geldt dezelfde bewijslastverdeling. De belastingplichtige moet dus bijvoorbeeld stellen en zo nodig bewijzen dat de inspecteur de grenzen van de informatiebevoegdheden heeft overschreden,3 of dat er aanwijzingen zijn dat bij de bewijsvergaring betrokken overheidsfunctionarissen fundamentele verdragsrechten van de boeteling hebben geschonden.4