Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.17
9.4.17 Strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940563:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Krukkert heeft in totaal 19 verschillende omstandigheden onderscheiden, die hij heeft gecategoriseerd en uitgewerkt in zijn dissertatie over individuele straftoemeting, zie Krukkert 2018, par. 6.4.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 361.
Zie voor enkele voorbeelden waarin de rechter ingrijpt omdat de inspecteur niet aan de bewijslast heeft voldaan: Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5, r.o. 4.22, Hof ’s-Gravenhage 3 maart 1995, V-N 1995, p. 2451 en Rb ’s-Gravenhage 30 november 2012, V-N 2013/8.9, r.o. 30.
HR 13 augustus 2004, BNB 2005/42, HR 18 februari 2005, BNB 2005/160. Zie voorts bijvoorbeeld Hof Amsterdam 30 juni 2011, V-N 2011/42.17.3 en Hof Amsterdam 10 augustus 2021, V-N 2021/44.18.13, r.o. 5.11. Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 28 november 2019, V-N 2020/11.20, en reeds: Koopman 1996, p. 192.
EHRM 1 maart 2007 (Geerings), nr. 30810/03, NJ 2007, 349, par. 43, EHRM 8 juni 1976 (Engel), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223, par. 90. Zie voorts Feteris 2007, p. 317, De Blieck e.a. 2004, p. 337, en Feteris 2002, p. 361 en p. 375. Ten slotte verwijs ik naar paragraaf 9.3.1.
Zie omtrent de evenredigheidsnorm nader paragraaf 14.4.
Zie paragraaf 9.4.12.
HR 23 november 1988, BNB 1989/29, HR 28 maart 1990, BNB 1990/194. Zie nader paragraaf 14.4.1.
HR 7 juni 2013, V-N 2013/29.11. Zie ook paragraaf 14.4.4.3.1.
Zie paragraaf 14.4.4.3.6. In dezelfde zin ook: (impliciet) Haas & Jansen 2009, par. 3 en Krukkert 2018, p. 223.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2016/67.5, r.o. 4.13 en de Hofuitspraak die vooraf ging aan HR 8 februari 2019, V-N 2019/14.6 (Hof Amsterdam 27 juli 2017, V-N 2017/51.1.2, r.o. 6.16).
HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, r.o. 4. In het in dat arrest berechte geval bleef de boete staan omdat er geen sprake was van een pleitbaar standpunt. Volgens de Hoge Raad gaven de gedingstukken vervolgens geen aanleiding voor nader onderzoek naar matigingsgronden. Als dat wél het geval zou zijn geweest, zou de Hoge Raad de zaak vermoedelijk hebben verwezen om dat nadere onderzoek uit te voeren.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.4.1 en paragraaf 9.3.2.2.4.
Zie paragraaf 14.4.3.2 en paragraaf 14.4.4.3.4 omtrent de geautomatiseerde wijze van oplegging van verzuimboetes.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2013, V-N 2013/22.6, r.o. 4.17.
In deze zin ook: Conclusie van A-G IJzerman van 24 mei 2017, V-N 2017/34.13, par. 5.22. Volgens Krukkert moet de inspecteur ook (enig) ambtshalve onderzoek doen naar mogelijke strafverminderende omstandigheden, hetgeen hij afleidt uit het zorgvuldigheidsbeginsel, zie Krukkert 2018, par. 5.4.2 en p. 394-395. Als ik hem goed begrijp, verwacht hij een actieve houding van de inspecteur, die iets meer behelst dan een ambtshalve toetsingsplicht, maar ook weer geen volwaardige zelfstandige onderzoeksplicht inhoudt.
In dezelfde zin: Krukkert 2018, p. 394. Zie voor enkele voorbeelden waarin dit bewijsrisico zich manifesteert Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2023, V-N 2023/18.1.6 en de zaak die heeft geleid tot HR 30 juni 2023, V-N 2023/32.20.3 (art. 81 Wet RO). Vgl. in dit verband Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.37, waarin het Hof aan het slot opmerkt: ‘Belanghebbende heeft geen andere (…) omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot een verdere vermindering van de boete’.
Zie daarover nader paragraaf 12.3.4.1.
HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194, r.o. 3.4.3. De Hoge Raad lijkt hiermee aansluiting te hebben gezocht bij de in het strafrecht ontwikkelde – en in art. 359 lid 2 Sv gecodificeerde – leer van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat een rechterlijke motiveringseis in het leven roept. Ook Krukkert legt het verband met het strafrecht, zie Krukkert 2018, p. 308. Hij lijkt evenwel van mening dat de boeteling met het innemen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zijn stelplicht invult (zonder een dergelijk standpunt volgt geen rechterlijke beoordeling). Naar mijn mening creëert het innemen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt alleen een responsieplicht van de rechter. Zie over het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in het strafrecht nader Nijboer 2011, par. 7.4.
Zie de in dit verband kritische noot van De Bont in BNB 2014/194 (punt 2). Hij wijst er terecht op (punt 1) dat uit de parlementaire geschiedenis van de Awb geen beperking van de responsieplicht voortvloeit, zodat ook minder dan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten een reactie behoeven. Vgl. voorts (inzake een onvoldoende inhoudelijk gemotiveerd beroep op slechte financiële omstandigheden) de zaak die heeft geleid tot HR 30 juni 2023, V-N 2023/32.20.3 (art. 81 Wet RO).
HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194. Zie voorts Hof Amsterdam 6 september 2012, V-N 2012/57.2, alsmede par. 7 lid 7 en 8 BBBB. Aldus ook reeds: Scheltens (losbl.), p. 550.
HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7, BNB 2014/194. De interessante vraag wat er moet gebeuren als die omstandigheden in beroep nu juist zijn verbeterd, is nog niet duidelijk beantwoord (vgl. De Bont in zijn noot in BNB 2014/194, die lijkt te suggereren dat de rechter dan alleen ex tunc moet toetsen).
Zie paragraaf 14.4.4.3.2.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de aantekening bij HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7 en (impliciet) Krukkert 2018, p. 234.
De bewijslast met betrekking tot factoren die van invloed zijn op de strafmaat1 wordt verdeeld volgens de reguliere regels van bewijslastverdeling.2 Strafverzwarende omstandigheden (boeteverhogende componenten) moeten dus worden gesteld en bewezen door de inspecteur,3 terwijl de boeteling strafverminderende omstandigheden (boeteverlagende componenten) moet stellen en bewijzen.4 In het licht van art. 6 EVRM ontmoet dat laatste geen bezwaar: de onschuldpresumptie strekt zich immers niet uit tot de strafmaat.5 Wanneer de boeteling zich in algemene zin op het standpunt stelt dat de strafmaat naar verhouding te hoog is, doet hij in wezen een beroep op het evenredigheidsbeginsel.6 Ook vanuit dit perspectief bezien, zou de primaire bewijslast dus op de boeteling rusten.7
Toch behoeft deze bewijslastverdeling enige nuancering, in het bijzonder wat betreft de strafverminderende omstandigheden. De boete moet uiteindelijk ‘passend en geboden’ zijn. De rechter toetst in beroep in volle omvang of dat het geval is en vervult daarbij een rechterlijke taak.8 Het zelfstandige, rechterlijke oordeel omtrent de strafmaat kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst.9 Vanwege deze volle rechterlijke toetsing is er naar mijn mening in wezen sprake van een ambtshalve toetsingsplicht.10 In de feitenrechtspraak lijkt deze aanpak inderdaad te worden gevolgd, getuige de dikwijls voorkomende formulering dat (andere) matigingsgronden zijn ‘gesteld noch gebleken’ of ‘niet aannemelijk zijn geworden’.11 Ook de Hoge Raad bekijkt in cassatie min of meer spontaan of in het dossier wellicht aanleiding is te vinden voor nader onderzoek naar redenen om de boete te matigen.12 Naar mijn mening is dat in lijn met de uitgangspunten die het EHRM formuleerde in de arresten Passet en Västberga Taxi,13 waarin het EHRM nadrukkelijk overwoog dat de rechter ‘genuanceerd en niet te restrictief’ te werk moet gegaan bij de beoordeling of de boete moet worden verminderd of vernietigd. Het BBBB bevestigt deze genuanceerde bewijslastverdeling en schrijft ook aan de inspecteur een ambtshalve toetsingsplicht voor: als de inspecteur op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, moet hij daar rekening mee houden, maar hij ‘hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is’.14 De inspecteur moet daar in ieder geval in bezwaar15 blijk van geven: hij kan niet volstaan met een verwijzing naar de door het BBBB voorgeschreven standaardpercentages: dit zijn slechts richtpunten.16
Wanneer de inspecteur of de rechter op basis van het dossier bekend is met de aanwezigheid van strafverminderende omstandigheden, moet hij die derhalve in aanmerking nemen, ook wanneer de belastingplichtige daarop geen beroep heeft gedaan.17 Uiteraard is het wel verstandig om de inspecteur of de rechter zoveel mogelijk op weg te helpen: het bewijsrisico blijft bij de boeteling berusten.18 Dat geldt in het bijzonder wanneer de boeteling een gemotiveerd oordeel van de rechter wenst over die omstandigheden.19 De Hoge Raad heeft in het kader van een draagkrachtverweer namelijk overwogen dat de rechter ‘alleen naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (…) gehouden is om zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien’.20 Het is mogelijk dat de Hoge Raad deze leer ook ten aanzien van andere strafverminderende omstandigheden zal toepassen.21
Ten slotte merk ik nog op, dat het beoordelingsmoment soms relevant is. Bij een beroep op slechte financiële omstandigheden, moeten die bijvoorbeeld door de inspecteur worden beoordeeld naar het moment van de boeteoplegging.22 De rechter moet een dergelijk beroep toetsen met inachtneming van de omstandigheden waarin de boeteling op het moment van die rechterlijke beoordeling verkeert.23 Deze toetsing ex nunc is in lijn met de rechterlijke opdracht om te komen tot een passende sanctie.24 Naar mijn mening volgt hieruit ook dat wanneer de inspecteur de boete in bezwaar heroverweegt, hij daarbij uit dient te gaan van de situatie op het moment van de beslissing op bezwaar.25