Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.18
9.4.18 Plaats in de verzuimenreeks
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940285:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 21 tot en met 23 BBBB 1998 (ingetrokken bij Besluit van 9 december 2008, Stcrt. 2008, 247).
HR 13 augustus 2004, BNB 2005/41, HR 4 februari 2005, BNB 2005/155. Onder een voorafgaand verzuim moest volgens de Hoge Raad worden verstaan een verzuim ter zake waarvan was meegedeeld dat bij een volgend verzuim een boete zou worden opgelegd dan wel ter zake waarvan reeds een boete was opgelegd.
Par. 23 lid 4 en lid 5 BBBB.
Zie V-N 2022/40.17 (vanaf het vierde aangifteverzuim wordt de boete gesteld op het wettelijk maximum).
Paragraaf 33 lid 2 BBBB bepaalt dat geen boete wordt opgelegd als er sprake is van een eerste verzuim in het afgelopen jaar.
Ik teken daarbij aan dat het beleid geen wettelijke delegatiegrondslag heeft in de boetebepalingen.
Zie paragraaf 9.4.12.
Vgl. bijvoorbeeld paragraaf 9.4.12 en paragraaf 9.4.14.3.
Vgl. Rb Noord-Nederland 23 augustus 2016, V-N 2017/26.18.4. De situatie vertoont gelijkenissen met het bewijs ten aanzien van de vereiste aanmaning bij de aangifteverzuimboete. Daar vormt de aanmaning echter wel een (impliciet) onderdeel van de delictsomschrijving, zodat de boeteling op grond van de onschuldpresumptie het voordeel van de twijfel moet worden gegund (zie paragraaf 13.3.2, paragraaf 13.3.5.1.4 en paragraaf 9.3.3.2.1).
Zie paragraaf 9.3.1 alsmede paragraaf 9.4.17.
Aldus bijvoorbeeld Rb Den Haag 4 mei 2018, V-N 2018/40.25.12, r.o. 7.
In het boetebeleid van het BBBB komen voor wat betreft de algemeen geldende verzuimboetes thans geen verzuimenreeksen meer voor.1 Tot 2009 werd de hoogte van sommige verzuimboetes afgestemd op het aantal verzuimen dat in het recente verleden reeds was begaan: bij herhaalde verzuimen werd de boete steeds hoger.2 Bij een eerste verzuim werd nog geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden.3 Om bij een volgend verzuim een boete te kunnen opleggen, moest vast komen te staan dat het eerder begane, eerste verzuim behoorlijk was medegedeeld aan de boeteling.4 Een dergelijk, sterk gedifferentieerd systeem van verzuimenreeksen bestaat niet meer.
Het BBBB gaat momenteel uit van een standaardverzuimboete, waarvan alleen in uitzonderlijke gevallen wordt afgeweken (voornamelijk wanneer de boeteling ‘stelselmatig in verzuim’ is).5 Met betrekking tot de betaalverzuimboete die bij aangiftebelastingen kan worden opgelegd wanneer er te weinig belasting is aangegeven wegens inhoudelijke onjuistheden, kan reeds bij het tweede verzuim sprake zijn van een ‘uitzonderlijk geval’.6 Verder geldt voor de betaalverzuimboete bij aangiftebelastingen die wordt opgelegd wegens een verzuim in het periodieke betalingspatroon, als voorwaarde voor een coulanceregeling dat de belastingplichtige binnen de referteperiode niet eerder in verzuim is geweest.7 Ten aanzien van de aangifteverzuimboete bij de IB bleek er ook buiten het BBBB om praktisch beleid te (hebben) bestaan dat neerkomt op een verzuimenreeks.8 In deze gevallen is het dus nog steeds van belang of reeds eerder een verzuim is begaan. Dat is ook het geval bij de reguliere betaalverzuimboete in de MRB.9
Met betrekking tot de bewijslast moet er naar mijn mening een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie, waarin de plaats in de verzuimenreeks bepaalt of er überhaupt een boete kan worden opgelegd, en de situatie waarin alleen de hoogte van de boete daarvan afhangt. De eerstgenoemde situatie is aan de orde bij de huidige betaalverzuimboete die bij aangiftebelastingen kan worden opgelegd wegens verzuimen in het periodieke betalingspatroon.10 Er zijn verschillende benaderingen mogelijk. Feteris heeft de plaats in de verzuimenreeks aangemerkt als ‘constituent element’ van de delictsomschrijving, dus als centrale stelling ter zake waarvan de bewijslast op de inspecteur rust.11 Ik meen echter dat verzachtend beleid de elementen van de delictsomschrijving niet kan wijzigen.12 In wezen doet de belastingplichtige die zich op een eerste verzuim (of op een lager aantal verzuimen) beroept, immers een beroep op een gunstige regeling uit het BBBB. Dientengevolge rust de primaire bewijslast van de daarvoor relevante feiten op de boeteling.13 Wel brengt de verplichte mededeling van het eerdere verzuim mee, dat bij betwisting van die verzuimmededeling de bewijslast (al dan niet effectief, als meest gerede partij14) op de inspecteur zal rusten.15
In de laatstgenoemde situatie, waarin de plaats in de verzuimenreeks alleen van invloed is op de hoogte van de boete, gaat het louter om de strafmaat, waarvoor de onschuldpresumptie niet geldt.16 Deze situatie is aan de orde bij de betaalverzuimboete bij te weinig aangegeven belasting wegens inhoudelijke onjuistheden. Afhankelijk van de partij die de stelling inneemt, rust de bewijslast daarom hetzij op de inspecteur (hoger aantal verzuimen),17 hetzij op de boeteling (lager aantal verzuimen). Ook als het beroep van de boeteling op een lager aantal verzuimen wordt opgevat als een beroep op het BBBB, rust de bewijslast op hem.