Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.3.4.2
4.3.4.2 De vordering van een individuele schuldeiser tegen een derde partij
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686261:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij een samenloop op basis van hetzelfde feitencomplex van de vordering van de individuele schuldeiser en een vordering van de curator wordt eerst op de vordering van de curator beslist en vervolgens op die van de individuele schuldeiser, aldus HR 21 december 2001, NJ 2005/95 (Lunderstädt/De Kok c.s.).
Zie bijvoorbeeld HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, (Zandvliet/ING). Een bekend gevalstype hierbij is een op een schending van de zogenaamde Beklamel-norm gegronde vordering. Een bestuurder die een rechtshandeling aangaat namens de vennootschap terwijl hij wist of redelijkerwijs behoort te weten dat de rechtspersoon niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen kan voldoen, kan aansprakelijk zijn op grond van de Beklamel-norm. Deze norm is ontleend aan HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286 (Beklamel).
Wat betreft de relatie tussen deze vordering en de gelijke behandeling van schuldeisers merk ik nog op dat de gelijke behandeling betrekking heeft op de onderlinge verhouding tussen schuldeisers die verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar die, naar hij betoogt, specifiek jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Een dergelijke samenloop is hier niet aan de orde, nu de betreffende schuldeiser juist verhaal zoekt onder een derde partij. Van een ongelijke behandeling door het instellen van deze vordering is dan ook geen sprake. Zie ook HR 21 december 2001, NJ 2005/96 (Sobi/Hurks) en HR 21 december 2001, NJ 2005/95 (Lunderstädt/De Kok c.s.) onder 3.4.4. Zie voorts AG Huydecoper in HR 21 december 2001, NJ 2005/95 (Lunderstädt/De Kok c.s.) onder 21 en 22 en Kortman c.s. 1996, p. 172. Een tegengeluid laten horen: Verstijlen 2002, p. 619 e.v. en Van Koppen 1998, p. 356 en 357.
Een schuldeiser die zijn vordering niet op de schuldenaar kan verhalen vanwege een faillissement, kan soms individueel ten strijde trekken tegen een derde partij die hem heeft benadeeld.1 In veel gevallen zal de derde partij hierbij zijn de bestuurder van de schuldenaar.2 Het gaat in dergelijke gevallen niet om een vordering van de curator namens de gezamenlijke schuldeisers. Een nadere bespreking van dit type vordering valt daarom buiten het bestek van dit hoofdstuk.3