Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.2.0
5.4.2.0 Introductie
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233692:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. U.S. Supreme Court 12 juni 1992, 504 U.S. 555 (Lujan v. Defenders of Wildlife); U.S. Supreme Court 4 maart 1998, 523 U.S. 86 (Steel Company. v. Citizens for a Better Environment); U.S. Supreme Court 2 april 2007, 549 U.S. 497 (Massachusetts v. EPA). Zie uitgebreid Tribe 2000, p. 385-392; Rotunda en Nowak 2012, p. 321-340, met verdere verwijzingen. Zie ook in de Nederlandse literatuur Sillen 2010, p. 94-96.
U.S. Supreme Court 3 juli 1984, 468 U.S. 737 (Allen v. Wright), 750-751.
Zie recent U.S. Supreme Court 17 juni 2019, 139 S.Ct. 1945 (Virginia House of Delegates v. Benthune-Hill), 1951: ‘To cross the standing threshold, the litigant must explain how the elements essential to standing are met.’
Standing houdt in dat eiser een voldoende belang moet hebben bij een beoordeling van het geschil. Daarvoor zal aan drie voorwaarden moeten zijn voldaan: (i) eiser moet een concreet en individualiseerbaar nadeel lijden als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen, (ii) dit nadeel moet een rechtstreeks gevolg zijn van dat handelen, en (iii) een inhoudelijk oordeel van de rechter moet dit nadeel kunnen adresseren.1 Is aan deze drie voorwaarden voldaan, dan heeft eiser in beginsel recht op een inhoudelijke beoordeling:
‘In essence, the question of standing is whether the litigant is entitled to have the court decide the merits of the dispute or of particular issues.’2
Eiser moet aannemelijk maken dat aan deze voorwaarden is voldaan.3