Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.5.3
8.5.3 Gerechtigdheid tot de vruchten
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399687:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T.M., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 111.
Nota II., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 111-112. In die zin ook Reehuis 2013, nr. 65.
Anders: Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 31 die lijkt uit te gaan van een goederenrechtelijk genotsrecht.
Zie punt 8 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 24 maart 1995, NJ 1996, 158 m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij) en (voorzichtig) Stolz 2015, p. 837-838. Kennelijk anders W.M. Kleijn in punt 3 van diens noot onder 17 oktober 1986, NJ 1987, 985 volgens wie de eigendomsverkrijging zich bij obligatoire genotsrechten niet automatisch kan voltrekken. Zo echter uitdrukkelijk T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 114. Ook Vriesendorp 1985a, p. 42 lijkt een tegenstrijdigheid te zien tussen de goederenrechtelijke toewijzing van de vruchten aan de verkoper en art. 7:14 BW, op grond waarvan deze toekomen aan de koper. Uiteindelijk neemt hij desalniettemin aan dat de koper eigenaar wordt op grond van een analoge toepassing van art. 7A:1576n BW (oud). Waarom dat artikel dit resultaat wel zou kunnen bewerkstelligen, maar art. 7:14 BW niet, blijft daarbij onbesproken.
Zo ook Scheltema 2017, p. 100.
Zo echter Loof 2016, p. 821 en Schuijling 2017, p. 20.
Nota II., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 112. De opvatting van de wetgever wordt onderschreven door Asser/Hijma 7-I* 2013, nr. 317.
Zie ook de bedenkingen van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen zoals verwoord door J. Spier, ‘NGB-commentaar op de Invoeringswet Boek 6 en Boek 7, titel 1’, Kwartaalbericht Nieuw BW 1986, p. 46- 47.
Zie ook Nota II., Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 112 waar de wetgever opmerkt dat uit de strekking van de overeenkomst in verband met de aard van het verkochte goed iets anders kan voortvloeien, maar dat de overeenkomst dat dan wel zal regelen.
Vgl. Serick 1963, p. 230 die opmerkt dat de vruchten aan de verkoper toekomen, ‘freichlich nur in dem Umfange, in dem ihm das Muttertier gehört.’ Zie ook N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann in punt 8 van hun noot onder HR 3 juni 2016, JOR 2016, 287 (Rabobank/Reuser), die weliswaar in het midden laten of de eigenaar onder opschortende voorwaarde volledig of voorwaardelijk eigenaar wordt van de vruchten, maar dus in ieder geval de mogelijkheid aanvaarden van een voorwaardelijke verkrijging van vruchten. Zo ook Rongen 2017, p. 223. In die richting ook J.B. Spath in punt 6 van haar noot onder Rb. ’s-Gravenhage 18 mei 2016, JOR 2016, 285.
Stolz 2015, p. 827-828.
Zie bijv. HR 14 augustus 2015, NJ 2016, 263 m.nt. H.J. Snijders (Zalco). Zie uit de literatuur met verdere verwijzingen Wichers 2002, p. 307-309, De Jong 2006, p. 90-93 en Spath 2010, p. 192-194.
Flume 1962, p. 386, BGB-RGRK/Pikart 1979, § 956 BGB, Rn. 22, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 511, Palandt/Bassenge 2014, § 956 BGB, Rn. 2, Staudinger/Gursky 2017, § 953 BGB, Rn. 6 en Staudinger/Gursky 2017, § 956 BGB, Rn. 43. Deze Aneignungsgestattung is bovendien – via § 107 InsO – konkursfest. Zie Baur/Baur & Stürner 2009, p. 730, MünchKomm-InsO/Breuer 2013, § 91 InsO, Rn. 16, Uhlenbruck/Mock 2015, § 91 InsO, Rn. 35-36 en Bamberger & Roth/Kindl 2016, § 956 BGB, Rn. 8.
Flume 1962, p. 386.
Vgl. Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 560-561 (waar wordt benadrukt dat partijen anders kunnen overeenkomen) en Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 458.
Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 560-561 en Spielbüchler 1981, p. 505-511.
Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 560-561.
Voor het Oostenrijkse recht geldt dit overigens niet, nu daar de terugwerkende kracht van de ontbinding een rol zou kunnen spelen. Zie Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 561.
Zie hiervoor in hoofdstuk 7, paragraaf 7.2. Zie over de verhouding tussen vruchttrekking en zaaksvorming met verdere verwijzingen Wichers 2002, p. 210-212 en Bartels & Geurts 2016, p. 141-143.
De vraag aan wie de vruchten toekomen gedurende de periode van onzekerheid, houdt slechts beperkt verband met de verhouding van het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde ten opzichte van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Hiervoor is namelijk in de eerste plaats beslissend wat uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit, in het licht van de wettelijke bepalingen die daarop betrekking hebben. De vraag komt hier desalniettemin aan de orde, omdat zij veelal wel wordt benaderd vanuit de voorwaardelijke gerechtigdheid van de koper. Hoewel het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper niet richtinggevend is voor het antwoord, komt het mij voor dat een meer bevredigende oplossing voor deze problematiek zou worden gevonden wanneer de gerechtigdheid van de vruchten wel zou worden bepaald aan de hand van de voorwaardelijke gerechtigdheid van de koper en de verkoper met betrekking tot de vruchtdragende zaak.
Voor het positieve recht komt het aan op het samenspel van de artikelen 7:9 lid 3, 7:14 en 5:17 BW voor het antwoord op de vraag aan wie de vruchten hangende de voorwaarde toekomen. Op grond van artikel 7:14 BW komen de vruchten van de dag van de aflevering af aan de koper toe. Volgens artikel 7:9 lid 3 BW geldt bij een eigendomsvoorbehoud het in de macht stellen van de zaak als aflevering. Vanaf de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW komen de vruchten derhalve toe aan de koper. Uit de toelichting bij artikel 7:14 BW blijkt dat de bepaling volgens de wetgever echter niet bepaalt wie eigenaar wordt van de vruchten. De bepaling ‘heeft alleen het oog op de interne verhouding tussen verkoper en koper.’1 Het artikel lijkt derhalve niet meer te bepalen dan dat de koper jegens de verkoper recht heeft op de vruchten, waarmee lijkt te zijn bedoeld dat de koper enkel gerechtigd is om op basis van de koopovereenkomst van de verkoper te vorderen dat ook de vruchten aan hem worden overgedragen.
Nadien heeft de wetgever echter nader uiteengezet dat de koper ook daadwerkelijk eigenaar wordt van de vruchten.2 Tegen de achtergrond van de hierboven genoemde bepalingen, is dat een juiste conclusie. Hoewel artikel 7:14 BW niet de goederenrechtelijke toewijzing van de vrucht beheerst, volgt dit uit de omstandigheid dat het artikel bepaalt dat de koper jegens de verkoper recht heeft op de vruchten. Artikel 7:14 BW schept daarmee namelijk een obligatoir genotsrecht ten gunste van de koper.3Artikel 5:17 BW bepaalt vervolgens dat de koper uit hoofde van diens genotsrecht eigenaar wordt van de vruchten op het moment van afscheiding.4 Hoewel de koper derhalve daadwerkelijk eigenaar wordt van de vruchten, heeft dit genotsrecht een obligatoir karakter, omdat het genotsrecht berust op de rechtsverhouding tussen verkoper en koper.5 De opvatting dat de koper eigenaar wordt van de vruchten op grond van zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, moet daarmee worden verworpen.6 In de eerste plaats laat zich niet goed verklaren op welke wijze de koper uit hoofde van zijn voorwaardelijk eigendomsrecht de onvoorwaardelijke eigendom van de vruchten zou kunnen verkrijgen. Ten tweede blijkt uit de omstandigheid dat artikel 7:14 BW van regelend recht is dat de eigendomsverkrijging van de vruchten door de koper slechts een contractuele grondslag heeft.
Dat de koper eigenaar wordt van de vruchten, is volgens de wetgever redelijk vanwege de strekking van het eigendomsvoorbehoud:
‘Verkoop met eigendomsvoorbehoud verschilt van een gewone verkoop slechts in dit opzicht dat de verkoper, die verplicht is de eigendom over te dragen, dit slechts hoeft te doen onder opschortende voorwaarde van de voldoening van een tegenprestatie als bedoeld in art. 3.4.2.5b lid 2 [=3:92 lid 2 BW; toevoeging EFV], waarbij terugvordering is uitgesloten zolang de koper aan zijn verplichtingen voldoet. Ook een verkoop onder eigendomsvoorbehoud strekt er dus toe dat de koper eigenaar wordt. Dit brengt mee dat het zowel bij gewone koop als bij koop onder eigendomsvoorbehoud redelijk is dat van de dag van – feitelijke – aflevering af de vruchten aan de koper toekomen, ook al komt het pas later tot eigendomsovergang.’7
Dat partijen ook met een verkoop onder eigendomsvoorbehoud uiteindelijk eigendomsovergang beogen, is juist. Of uit die omstandigheid evenwel volgt dat de vruchten van de dag van de aflevering af aan de koper toekomen, valt te betwijfelen. Dat niet alleen de verkochte zaak maar ook de vruchten aan de koper toekomen indien hij de verschuldigde prestatie voldoet, is vanzelfsprekend. Het eigendomsvoorbehoud wordt echter juist bedongen voor het geval dat de koper de verschuldigde prestatie niet voldoet. Betwijfeld kan worden of partijen werkelijk voor ogen hebben dat de verkoper dan weliswaar de verkochte zaak kan opvorderen, maar niet de reeds afgescheiden vruchten.8 Aannemelijker komt mij voor dat partijen in het algemeen de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de afgescheiden vruchten van dezelfde onzekere gebeurtenis afhankelijk willen maken als met betrekking tot de verkochte zaak: komt het tot voldoening van de verschuldigde prestatie, dan wordt de koper zowel eigenaar van de verkochte zaak alsook van de vruchten; voldoet de koper de verschuldigde prestatie daarentegen niet, dan kan de verkoper zowel de verkochte zaak als de vruchten opvorderen. In het algemeen, omdat zich goed laat voorstellen dat dit afhangt van het type verkochte zaak en het type vrucht. Zo zal het waarschijnlijk niet de bedoeling zijn dat de koper van een koe de melk die hij gedurende de periode van onzekerheid melkt aan de verkoper moet afgeven indien hij in gebreke blijft met de betaling van de koe. Maar als aan iemand een drachtige koe onder eigendomsvoorbehoud wordt overgedragen, is het niet aannemelijk dat de koper het gedurende de periode van onzekerheid gekalfde jong zou mogen behouden, indien hij de verschuldigde prestatie niet voldoet en de verkoper de koe opvordert als zijn eigendom.9
Het strookt naar mijn mening beter met deze betrokken belangen dat bij een eigendomsvoorbehoud, behoudens een afwijkende afspraak, het lot van de vruchten het lot van de verkochte zaak volgt, in die zin dat de koper van de vruchten eigenaar wordt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, maar de verkoper tot dat moment eigenaar (onder ontbindende voorwaarde) is van de vruchten. Voor een zodanige oplossing laat de wet ruimte, aangezien artikel 7:14 BW van regelend recht is. Het staat partijen derhalve vrij te bepalen dat de verkoper eigenaar wordt van de vruchten of dat de koper eigenaar wordt van de vruchten indien en zodra de voorwaarde in vervulling gaat en de verkoper tot dat moment dus eigenaar van de vruchten wordt en blijft.
Daartoe is mijns inziens niet vereist dat afzonderlijk met betrekking tot de vruchten ook een overdracht onder opschortende voorwaarde tot stand wordt gebracht door verkoper en koper. Afdoende is dat zij artikel 7:14 BW buiten toepassing verklaren. Vervolgens komen de vruchten, bij gebreke van een genotsrecht van een ander, op grond van artikel 5:1 lid 3 BW toe aan de eigenaar van de zaak. Aangezien de verkoper eigenaar onder ontbindende voorwaarde is van de zaak en de koper eigenaar onder opschortende voorwaarde, moet worden aangenomen dat deze voorwaardelijke gerechtigdheid ook geldt voor de vruchten van de verkochte zaak. Nu de eigendom van de vruchten, behoudens rechten van anderen, wordt toegewezen aan de eigenaar van de vruchtdragende zaak, ligt het voor de hand dat, wanneer dat eigendomsrecht is gesplitst in twee voorwaardelijk eigendomsrechten, eenzelfde eigendomssplitsing plaatsvindt met betrekking tot de vruchten.10 Dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde nog niet werkt, doet daaraan niet af, nu bij de toewijzing van de vruchten simpelweg de hoedanigheid van eigenaar bepalend is en niet zozeer de aan het eigendomsrecht verbonden (werkende) eigenaarsbevoegdheden. Volgens Stolz laat zich daarentegen op geen enkele wijze onderbouwen hoe een originaire verkrijgingswijze zou kunnen leiden tot een voorwaardelijke gerechtigdheid van de verkrijger en de vervreemder, zonder dat daartoe een nader handelen van partijen is vereist.11 Een dergelijke zienswijze geeft echter blijk van een overschatting van de aard van een originaire verkrijging. Dat een bepaalde verkrijging als originair moet worden gekwalificeerd, betekent niets meer dan dat de eigendomsverkrijging niet wordt afgeleid van een rechtsvoorganger, maar rechtstreeks is gebaseerd op de wet. In het bijzonder zegt de kwalificatie als originaire verkrijging als zodanig niets over de omvang van de verkrijging. Een originaire verkrijging is niet noodzakelijkerwijs onbezwaard of onvoorwaardelijk.12
Het voorgaande stemt in resultaat overeen met het Duitse recht, dat weliswaar een andere constructie volgt, maar waaruit wel blijkt dat de verkrijging van vruchten van rechtswege tot een voorwaardelijke gerechtigdheid kan leiden. Bij gebreke van een met artikel 7:14 BW vergelijkbare bepaling wordt naar Duits recht aangenomen dat de verkoper – als eigenaar van de vruchtdragende zaak – ook eigenaar wordt van de vruchten op grond van § 953 BGB.13 Partijen kunnen echter overeenkomen dat aan de koper een persoonlijk toe-eigeningsrecht toekomt met betrekking tot de vruchten (§ 956 BGB). In de literatuur wordt aangenomen dat een dergelijke toekenning van een persoonlijk toe-eigeningsrecht in geval van een eigendomsvoorbehoud stilzwijgend besloten ligt in de aan de overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst en dat het persoonlijktoe-eigeningsrecht bovendien voorwaardelijk van aard is, in die zin dat ook de eigendomsverkrijging op grond van dat toe-eigeningsrecht voorwaardelijk is. Er is dan sprake van een voorwaardelijke Aneignungsgestattung, terwijl deze voorwaardelijkheid van de verlening van het toe-eigeningsrecht in die zin doorwerkt in de gevolgen van de verlening van het recht, dat de vervolgens uit hoofde van het toe-eigeningsrecht verkregen vruchten ook terstond voorwaardelijk toekomen aan de koper.14 De verkoper wordt derhalve eigenaar van de vruchten, terwijl de koper een Anwartschaftsrecht verkrijgt ten aanzien van de vruchten, zodat vervulling van de voorwaarde tot gevolg heeft dat de koper automatisch en zonder nadere handelingen eigenaar wordt van de vruchten. Per saldo wordt daarmee ook naar Duits recht bewerkstelligd dat de vruchten ‘dem Nexus der bedingten Übereignung unterfallen.’15 Een (stilzwijgende) afwijking van dat uitgangspunt wordt wel aangenomen voor het geval dat het gaat om vruchten die snel worden verbruikt of bederven. In een dergelijk geval wordt aangenomen dat uit de rechtsverhouding tussen verkoper en koper volgt dat de koper terstond onvoorwaardelijk eigenaar wordt van de vruchten.16
In de bescheiden Oostenrijkse literatuur wordt daarentegen aangenomen dat uit de strekking van het eigendomsvoorbehoud in het algemeen voortvloeit dat de koper (onvoorwaardelijk) eigenaar wordt van de vruchten.17 In dat verband wordt zijn positie dikwijls vergeleken met die van een huurder of van een vruchtgebruiker.18 Bydlinski nuanceert zijn opvatting vervolgens echter in zoverre dat de koper vervolgens wel obligatoir verplicht is de vruchten aan de verkoper over te dragen, indien hij de verschuldigde prestatie niet voldoet en de verkoper overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.19 Voor het Nederlandse recht acht ik deze oplossing weinig overtuigend, nu zij hinkt op twee gedachten. Wanneer men aanneemt dat de koper gedurende de periode van onzekerheid eigenaar wordt van de vruchten, valt niet goed in te zien waarom dit anders zou zijn als de koopovereenkomst wordt ontbonden (vgl. art. 6:275 BW).20 Een obligatoire oplossing, in de zin dat de koper de vruchten moet over- dragen, is voorts weinig bevredigend, wanneer men bedenkt dat het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen voor het geval dat obligatoire aanspraken niet (meer) toereikend zijn.
Tot slot is nog van belang dat wanneer bij het voortbrengen van de vruchten menselijke arbeid is betrokken, afhankelijk van de intensiteit van de arbeid, niet zelden sprake zal zijn van zaaksvorming, waardoor de eigendomstoewijzing van de ‘vruchten’ beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 5:16 BW, hetgeen gewoonlijk zal betekenen dat de koper eigenaar wordt van de gevormde zaak.21