De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.8.2:7.8.2 De praktijk van besluitvorming
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.8.2
7.8.2 De praktijk van besluitvorming
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174198:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ahsmann 2011, p. 136-137. Zij verwijst naar de SSR-syllabus ‘Het maken van een civiel vonnis’ (sinds 1992) door J.P. Fokker, A.G. Pos, J.C.A. Schunck, W. Tonkens & G. Vrieze.
En inderdaad ging de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep, waar zij alsnog gedeeltelijk haar zin kreeg.
Holvast (2017a, p. 152) doet eenzelfde constatering.
Zie paragraaf 3.3.1. Rechters vertelden in interviews dat er incidenteel opnieuw geraadkamerd wordt, maar in de geobserveerde raadkameroverleggen is het niet voorgekomen.
Zie Gommer 2008, p. 50-52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de raadkameroverleggen blijkt dat besluitvorming een proces van redeneren en beslissen is, waartussen een voortdurende wisselwerking bestaat. Al lezend, denkend, luisterend en pratend – met partijen en collega’s – delen rechters kennis en ontwikkelen zij ideeën over de richting waarin de beslissing moet worden gezocht. Daarbij worden feiten vastgesteld, interpretaties van rechtsregels gegeven, argumenten naar voren gebracht, afwegingen gemaakt en voorlopige conclusies getrokken die ook weer kunnen worden teruggenomen.
Deze bevinding sluit aan bij die van Ahsmann over de werkwijze van de civiele rechter. In haar model onderscheidt zij diverse stadia in de totstandkoming van een vonnis: de inventarisatie-, selectie-, toetsings-, beslissings- en redactiefase. De rechter vormt zich in de inventarisatiefase een globaal beeld van de zaak, waarmee hij de bijpassende rechtsregels kan zoeken. Met de vordering als uitgangspunt selecteert hij vervolgens de rechtsregels die op de aangevoerde feiten worden toegepast. Zo verkrijgt hij een overzicht van de geschilpunten en kan hij een beslissing nemen, die op schrift wordt gesteld.1 De beschreven fasering lijkt te zijn gericht op besluitvorming in enkelvoudige kamer, maar ze is ook in de behandeling in meervoudige kamer te herkennen. Ahsmanns constatering dat de fasen ten nauwste met elkaar samenhangen, in elkaar overlopen en soms in een andere volgorde voorkomen, stemt overeen met de observaties van de raadkameroverleggen. De fasering verschaft een grofmazig beeld van de wijze waarop de rechter tot zijn vonnis komt. Veel concreter kan het ook niet worden: daarvoor is het besluitvormingsproces te amorf.
Illustratief voor de wisselwerking van redeneren en beoordelen is een geobserveerde zaak die ging over de vraag of de handelwijze van een producent door de juridische beugel kon. De rechters brachten in de raadkamer gezamenlijk tal van omstandigheden naar voren die van belang waren voor de beoordeling: de spoed om het product op de markt te brengen waartoe de producent door de opdrachtgever werd gemaand, de gedetailleerde voorwaarden in het contract waar het product aan moest voldoen, feiten van algemene bekendheid (zoals dat design medebepalend is voor de populariteit van het product), de concurrentie op de markt, het gegeven dat je in een concurrerende omgeving gewiekst mag zijn en het overwicht in de markt van grotere spelers. Deze discussie werd als volgt besloten:
Oudste rechter: ‘Je mág natuurlijk slim zijn in de handel. De vraag is wanneer je de grens overgaat en gedrag onrechtmatig wordt. Slim zijn is niet hetzelfde als schofterig.’
Voorzitter: ‘Een stap verder is of er sprake is van wanprestatie. Want contractbreuk mag niet.’
Jongste rechter: ‘Ook al was er schofterig gedrag, hoe bewijs je dat dan?’
Voorzitter: ‘Grove schuld of nalatigheid, daarvoor geldt een hoge maatstaf.’
Jongste rechter: ‘Een hint is ook dat een fout van een kleine speler minder zwaar weegt dan van een grote speler.’
Voorzitter: ‘Dat heb ik op de comparitie duidelijk laten doorschemeren. Er is een aantal tekortkomingen, maar bewijs voor structureel tegenwerken? Dat was er niet.’
Oudste rechter: ‘Arme Calimero.’
Rechters beoordelen niet alleen de juistheid van een redenering, maar ook of het resultaat daarvan aanvaardbaar is. Dat spreekt uit deze afsluitende bijdrage in de raadkamer:
‘[Gedaagde] is niet te vertrouwen, maar of ze dat nu met opzet of grove nalatigheid hebben gedaan? Hun verwijtbaarheid moet wel komen vast te staan. De schadebedragen zijn bovendien wel heel hoog.’
Aan het einde van een discussie in raadkamer werden meestal de belangrijkste overwegingen op een rij gezet en soms werd daar gewicht aan toegekend (‘dit is belangrijk!’). De balans van overwegingen sloeg dan aan één kant door: daar wordt de beslissing gevonden. Men kan dit proces vergelijken met een kompas dat in een magnetisch veld wordt geplaatst. De naald van het kompas beweegt aanvankelijk heftig heen en weer totdat ze stabiliseert en één richting uitwijst. Het magnetisch veld is hier het geschil, het kompas het recht, de kompasnaald de rechter en de windrichting de beslissing.
Dat wil echter niet zeggen dat de beslissing steeds het sluitstuk was van afweging van argumenten. Het kwam voor dat een rechter een wenselijke uitkomst van een zaak voorstelde en vervolgens de legitimatie hiervan beredeneerde – niet per se om aan deze uitkomst vast te houden, maar om de zaak op een andere manier te benaderen dan gebruikelijk in een denk- of besluitvormingsproces. Zo meenden de rechters in één geval dat de eiser op basis van hun rechtvaardigheidsgevoel een deel van de vordering zou toekomen. Een van hen stelde echter dat dit motiveringsproblemen op zou leveren: ‘Waarom een deel? Leg dat maar eens uit! Logischer zou zijn: alles of niks.’ Diens collega in de raadkamer stond er aanvankelijk op dat slechts een deel van de vordering zou worden toegekend, maar uiteindelijk werd deze rechter door de andere leden van de kamer overtuigd.
Overtuigd van hun definitieve beslissing waren de rechters niet altijd. Aan het einde van één raadkameroverleg leken de rechters zelfs na lange discussie niet goed te weten of de vordering al dan niet moest worden toegewezen, en zo ja, in welke mate:
Oudste rechter: ‘We kunnen de vordering ook [geheel] toewijzen. Hij gaat toch in hoger beroep.’
Griffier: ‘Je kunt toch niet toewijzen? Je kunt toch niet zeggen dat ze alle gestelde schade hebben geleden?’
Voorzitter: ‘Er is slordig verweer gevoerd.’
Oudste rechter: ‘We begroten het zelf op de helft. Dat zeggen we gewoon. Daar heb ik geen moeite mee hoor.’
Voorzitter: ‘Ze gaan toch in hoger beroep.’
Oudste rechter: ‘Dat doen ze toch wel.’2
Een raadkameroverleg werd regelmatig afgesloten zonder dat alle geschilpunten volledig waren uitgekristalliseerd. Er was dan een beslissing gevallen die nog motivering behoefde, waarbij de uitwerking werd toevertrouwd aan de rechter of griffier die het conceptvonnis ging schrijven. Vaak was er een ‘oplossingsrichting’, of zoals een griffier eens zei: ‘Ik schrijf het wel op en dan kunnen jullie erop schieten.’ In dit stadium van concipiëren werd nog het nodige rechtgebreid: van de vonnisschrijver hing af hoe ‘losse eindjes’ aan elkaar werden geknoopt.
Soms lukt dat niet. In interviews vertelden rechters dat ze tijdens de conceptiefase weleens tot de conclusie komen dat ze hun gedachtegang niet ‘weggeschreven’ krijgen. Intuïtief is een oordeel gevormd, juridisch-rationeel lijkt dat te kloppen, maar zodra het erop aankomt de redenering op papier te zetten blijkt de onderbouwing van de beslissing daar niet mee in overeenstemming te brengen.3 Dit verschijnsel doet zich bij meervoudige rechtspraak misschien nog sterker voor dan bij enkelvoudige, omdat alle leden van de meervoudige kamer kunnen verlangen dat hun onderscheiden inzichten in het vonnis terug te vinden zijn, ook al leiden die tot dezelfde beslissing. In de geobserveerde zaken bleek hiervan echter geen sprake.
In gevallen waarin het onder woorden brengen van de motivering wel op problemen stuit moet de meervoudige dan wel enkelvoudige kamer opnieuw het proces van oordeelsvorming in, totdat tot de rechterlijke intuïtie en de onder woorden gebrachte legitimatie van het oordeel met elkaar in overeenstemming zijn.4 (zie paragraaf 3.3.1). Zonder motivering is de beslissing van de rechter immers niet inzichtelijk, laat staan overtuigend voor een publiek van partijen, de maatschappij en collega-rechters.5