Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.4:8.2.4 Andere belastingen
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.4
8.2.4 Andere belastingen
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362874:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 december 2020, 20/00199, NTFR 2021/49 en BNB 2021/35, r.o. 2.3.2 en 2.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toch zijn er ook enkele belastingen die, zo op het eerste gezicht, niet snel zullen leiden tot het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Artikel 2, eerste lid, van de Wet BRV bepaalt dat onder de naam ‘overdrachtsbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Nu de belasting gekoppeld is aan in Nederland gelegen onroerend goed, zullen voor deze belasting niet snel gebeurtenissen voorkomen waarbij grensoverschrijdende situaties zich voordoen (alhoewel dat geen absolute voorwaarde is voor het ten uitvoer brengen van het Unierecht (paragraaf 4.5)). De persoon van de verkrijger die eventueel niet in Nederland is gevestigd, is niet van belang voor de belasting. Echter als sprake is van bijvoorbeeld een samenloop van de overdrachtsbelasting met de omzetbelasting (gedacht kan worden aan de discussie over een bouwterrein) kan toch sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Uitlegging van de Wet OB 1968 is dan noodzakelijk om de afbakening met de Wet BRV te bepalen. Daarnaast kan de fusierichtlijn relevant zijn voor de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting.1