Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.3.2.e:8.3.2.e Aanmerkelijk geschaad
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.3.2.e
8.3.2.e Aanmerkelijk geschaad
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362959:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, onder artikel 4.1.2.1, p. 99.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. B. Advies Raad van State, p. 39.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. B, Advies Raad van State, p. 39.
Artikel 3:48, tweede lid, van de Awb.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, onder artikel 4.1.4.4, p. 111.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het kenbaarmakingsbeginsel is enkel van toepassing als het overheidsbesluit de adressaat aanmerkelijk in zijn belang schaadt. Alleen dan is sprake van een bezwarend besluit. Het Hof van Justitie legt daarbij niet uit wat met ‘aanmerkelijk’ wordt bedoeld. Wel heb ik opgemerkt dat dit geringe wijzigingen ten nadele van een belanghebbende uitsluit (paragraaf 5.2). Hierin past goed de in artikel 4:7, tweede lid, van de Awb neergelegde uitzondering op het recht een standpunt kenbaar te mogen maken. In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de aanvrager niet hoeft te benaderen voor een zienswijze als sprake is van een afwijking van de aanvraag die slechts van geringe betekenis voor de aanvrager kan zijn. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling is van een afwijking van geringe betekenis sprake als het verschil van mening over de feiten terug te brengen is tot evidente tel- of tikfouten.1 In die gevallen kan het bestuur zelf de weergave van de gegevens corrigeren zonder de belanghebbende te raadplegen. Het zal meestal duidelijk zijn dat de afwijking van gering belang is.2 Een bestuursorgaan zal hiermee terughoudend moeten omgaan en bij twijfel de belanghebbende toch de gelegenheid geven zijn zienswijze naar voren te brengen.3 Artikel 4:7, tweede lid, van de Awb leidt op dit punt niet tot strijd met het kenbaarmakingsbeginsel, omdat dit beginsel op dergelijke niet bezwarende besluiten niet van toepassing is. Van eenzelfde situatie is sprake bij de beperking van het horen in de bezwaarfase van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb waarin is bepaald dat een bestuursorgaan de belanghebbende niet hoeft te horen als het bestuursorgaan geheel aan het bezwaar tegemoetkomt. Dan is ook geen sprake van een voorgenomen bezwarend besluit. Hierin past ook de beperking van artikel 3:48, eerste lid, van de Awb. In artikel 3:48, eerste lid, van de Awb is geregeld dat de motivering van een besluit achterwege kan blijven als het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat de belanghebbende daaraan geen behoefte heeft. Verzoekt de belanghebbende binnen redelijke termijn om de motivering, dan verstrekt het bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk.4 De wetgever gaat ervan uit dat zeer veel situaties voorstelbaar zijn waarin een (volledige) vermelding van de motivering overbodig is.5 Dat is het geval als bijvoorbeeld de beschikking niemand schaadt of belast, omdat de beschikking conform de aanvraag is. Dan is geen sprake van een bezwarend besluit en is ook het kenbaarmakingsbeginsel niet van toepassing. Een ander voorbeeld dat wordt gegeven in de parlementaire geschiedenis in het kader van artikel 3:48 van de Awb is de situatie dat de belanghebbende al bekend is met de motivering. Dan kan er sprake zijn van een bezwarend besluit, maar wordt er wel voldaan aan het vormvrije motiveringsvereiste dat het kenbaarmakingsbeginsel in zich bergt.