Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.6:8.2.6 Bestuurdersaansprakelijkheid
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.6
8.2.6 Bestuurdersaansprakelijkheid
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362940:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 36 van de IW 1990.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 24 februari 2015, zaak C-512/13, (Sopora).
HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207 en HR 15 januari 2016, nr. 14/02924, NTFR 2016/1082.
HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in de inleiding is aangegeven, maak ik een uitstap naar de aansprakelijkstellingen, specifiek naar de bestuurdersaansprakelijkheid.1 Ieder van de bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de AWR dat volledig rechtsbevoegd is, is voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk voor de door de rechtspersoonlijkheid verschuldigde loonbelasting, de omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak, de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen en de kansspelbelasting. Zoals hiervoor is beschreven, geldt ten aanzien van de omzetbelasting dat hierbij het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Bij accijns is daarvan ook nagenoeg altijd sprake. Bij andere rechtsgebieden, zoals de loonbelasting wordt meestal geen Unierecht ten uitvoer gebracht, maar in sommige situaties is dat wel het geval.2 Als de belastingdienst een bestuurder aansprakelijk stelt voor zowel de loonbelasting als de omzetbelasting, legt de belastingdienst de aansprakelijkstelling neer in één formeel besluit dat de belastingdienst aan de belanghebbende stuurt. Mijns inziens is, gelet op de tekst van artikel 36 van de IW 1990, ook sprake van één materieel besluit. De Hoge Raad oordeelde over de reikwijdte van het Unierecht bij een aansprakelijkstelling voor zowel de omzetbelasting als de loonbelasting en gaf aan dat in die zaak het kenbaarmakingsbeginsel slechts van toepassing is op een deel van een dergelijk besluit (alleen voor zover de aansprakelijkstelling zag op de omzetbelasting).3
De toepasbaarheid van het kenbaarmakingsbeginsel loopt voor één besluit voor de omzetbelasting anders dan voor de loonbelasting:
Figuur 22
Deze scheiding komt ook tot uitdrukking in artikel 49.2a van de Leidraad Invordering 2008. Hierin is, naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad, het kenbaarmakingsbeginsel wel voor de omzetbelasting opgenomen en niet voor de loonbelasting.4 Het gevolg hiervan is dat op één besluit twee procedurele routes van toepassing kunnen zijn. De belastingdienst moet in beginsel de belanghebbende in de voorfase horen ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de omzetbelasting en pas in de bezwaarfase over de aansprakelijkheid voor de loonbelasting. De vraag is of het procedureel uiteenlopen van procedures ten aanzien van één formeel en materieel besluit wenselijk is. Mij lijkt het wenselijk dat als een bestuursorgaan binnen één bezwarend besluit een onderdeel herkent waarbij het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, de belanghebbende ten aanzien van het gehele besluit de gelegenheid krijgt een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken in de voorfase. Een andere werkwijze lijkt mij moeilijk uit te leggen aan een belanghebbende. Het voorkomen van deze verschillende routes pleit voor het ruimhartig toepassen van het kenbaarmakingsbeginsel in de fase van het voornemen.