Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.5
8.2.5 Tussenconclusie
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362961:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: HvJ 10 november 2016, zaak C-548/15, (De Lange).
Nijnatten, van, 2018, de door Nijnatten geciteerde visie van M. Fierstra onder 5. “Dan over tot de interpretatie van art. 51 EU-Handvest (het toepassingsgebied). Uit de bijdragen van Bozia en Weijers blijkt volgens Fierstra weliswaar dat in grote lijnen duidelijk is wanneer lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen, maar ook dat zich in de praktijk nog steeds complicaties voordoen.”
Zie bijvoorbeeld: HvJ 2 mei 2019, C-598/17, (A-Fonds).
Gelet op hetgeen is vermeld in de paragrafen 8.2.1 tot en met 8.2.4 concludeer ik dat in hoofdlijnen duidelijkheid bestaat over de vraag wanneer Nederland bij de heffing van belastingen het Unierecht uitvoert. Bij veel fiscale aanslagen kan op onderdelen sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht.1 Er is echter ook een grijs gebied.2 Veel relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht zijn zonder contact met de belanghebbende in de voorfase voor een bestuursorgaan niet zomaar te onderkennen. Het kan daardoor pas later in een procedure duidelijk worden dat het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht.3 Een duidelijke scheiding van voorgenomen fiscale besluiten waarbij wel het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht en waarbij dat niet het geval is, kan maar deels worden gemaakt. Het niet kunnen maken van een dergelijke duidelijke scheiding pleit voor het ruimhartig toepassen van het kenbaarmakingsbeginsel in fiscale zaken.