Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.2
7.3.2 “Op vordering van”
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692201:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hierover nader: Lock 2019.
HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:AC9604, NJ 1987/380. Een uitzondering op deze regel bestaat overigens in het geval een partij expliciet afziet van een kostenveroordeling, zie HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6157, NJ 2000/583, in welke zaak partijen hadden verzocht om compensatie van de kosten.
Zie hierover de noot van C.J.H. Brunner onder HR 5 november 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4468, NJ 1984/125.
Huydecoper 2011/16.
HR 14 februari 1947, ECLI:NL:HR:1946:49, NJ 1947/155 m.nt. E.M. Meijers.
Vgl. HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. E.A. Alkema (SGP).
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217 m.nt. T. Koopmans (VJV/Staat).
Zie over de uitleg van een petitum Ashmann 2011, p. 175.
In die zin al HR 24 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2032, NJ 1959/10(Van Vliet/Vricon). Ook HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0413, NJ 1992/724, m.nt. H.J. Snijders (Boogaard/NVPI). Ekelmans 2015/5.
Ancery 2012/12; Smits 2008/3.3.1
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge (Laurus/UB Holding); HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:AR2390 (dakterras). Zie hierover nader paragraaf 10.3.1.
314. Dat een bevel of verbod moet worden gevorderd lijkt een open deur. Zonder een dergelijke vordering komt een zaak immers niet bij de rechter en kan er van een rechterlijk bevel of verbod geen sprake zijn. Zonder daartoe strekkende vordering en feitelijke onderbouwing daarvan in het geding zal de rechter bovendien geen bevel of verbod kunnen geven. Het in art. 24 Rv neergelegde beginsel van autonomie van partijen en lijdelijkheid van de rechter brengt immers mee dat de rechter gebonden is aan de door partijen gestelde feitelijke grondslag van de vordering.1 Toch is het iets minder eenvoudig dan dit omdat er een zekere ruimte kan bestaan bij de vraag wat er precies is gevorderd. Een rechter is gehouden aan het petitum dat hem wordt voorgelegd. Ambtshalve veroordelingen (inhoudende een bevel of verbod) zijn er in principe niet. Een uitzondering volgt uit art. 258 Rv, dat de voorzieningenrechter de mogelijkheid biedt om zijn vonnis ambtshalve, en dus als uitzondering op de in art. 233 Rv neergelegde hoofdregel, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook een kostenveroordeling wordt zo nodig ambtshalve uitgesproken, maar ook dit is een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter niet buiten het petitum iets mag toewijzen.2
315. Die hoofdregel laat echter onverlet dat de rechter binnen de door het petitum getrokken grenzen een zekere ruimte heeft bij de invulling van zijn veroordeling, zij het dat hij op grond van art. 23 Rv gehouden is te beslissen over ‘al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht’.3 Wanneer bijvoorbeeld wordt gevorderd een gedaagde te verbieden zich binnen de gemeentegrenzen van Leiden te begeven, kan de rechter ervoor kiezen te volstaan met een beperkter verbod, bijvoorbeeld het verbod zich op de Breestraat te bevinden of het gebod van die Breestraat weg te blijven. Huydecoper geeft in dit verband als voorbeeld het bevel ‘zich behoorlijk te gedragen’, dat hij ontoelaatbaar acht omdat het de veroordeelde te veel in onzekerheid laat over wat er nu wel en niet van hem wordt verlangd.4 Ik deel zijn oordeel dat een dergelijke veroordeling niet toelaatbaar is. Wanneer echter wordt gevorderd ‘de gedaagde te bevelen zich behoorlijk te gedragen’ is het naar mijn mening erg afhankelijk van de inkleding van die vordering en het debat tussen partijen of die vordering de grondslag kan zijn voor een specifiek bevel. Wanneer uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het de eiser erom te doen is herhaling te voorkomen van een specifieke gedraging, en de gedaagde dat ook zo heeft opgevat en ook niet anders heeft kunnen opvatten, zou er ruimte kunnen zijn voor (bijvoorbeeld) het bevel aan gedaagde ‘zich behoorlijk te gedragen, in die zin dat gedaagde zich onthoudt van het snoeien van de heg van eiser’. Daarmee is niet gezegd dat het aanbeveling verdient een vordering op die manier in te kleden. Als een eiser niet kan concretiseren wat hij wil afdwingen, zal dat voor de gedaagde vaak ook niet duidelijk zijn. De eiser die wel kan concretiseren wat hij wil afdwingen zal een daarop toegespitst petitum kunnen formuleren, waarbij ruimer geformuleerde maar minder verstrekkende subsidiaire varianten natuurlijk denkbaar zijn. Ik zal hierna (paragraaf 10.3.3) nader bespreken onder welke omstandigheden de rechter mag aannemen dat door de eiser ten opzichte van het gevorderde ‘het mindere’ ook wordt gewenst.
316. Wat niet kan, is een ruimer verbod opleggen dan gevorderd (in mijn eerdere voorbeeld: de Breestraat en de gemeente Den Haag te vermijden; dat is immers niet gevorderd). Wat ook niet kan is om in het geval een verklaring voor recht wordt gevorderd (bijvoorbeeld dat de gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door de eiseres herhaaldelijk en hinderlijk naar haar woning aan de Breestraat te Leiden te achtervolgen), de gedaagde ambtshalve een verbod op te leggen dat handelen te staken. Ook in die situatie blijkt immers uit de vordering niet dat de eiser op zo’n verbod wenst aan te sturen.
317. In 1947 oordeelde de Hoge Raad dat in kort geding een veel verder gaande vrijheid voor de rechter bestond. Als het kort geding begonnen is om een bevel te verkrijgen een bepaalde handeling te verbieden, maar die handeling inmiddels toch is verricht, heeft de rechter de vrijheid ‘zoodanige andere voorziening te treffen als bij de veranderde omstandigheden voor het gegeven geval passend is’.5 Het stond het hof volgens de Hoge Raad dan ook vrij om, toen bleek dat de ontruiming reeds had plaatsgevonden, het bevel te geven dat de gedaagde zich zou onthouden van elke maatregel die de strekking heeft de ontruiming te handhaven. Zonder wijziging van eis in hoger beroep lijkt mij dit thans een achterhaald uitgangspunt. Indien een ontruiming reeds heeft plaatsgevonden bestaat er bij een vordering strekkend tot een verbod daarvan geen belang meer en behoeft – en kan – het hof nog slechts beoordelen of de proceskostenveroordeling in eerste aanleg juist is geweest.6
318. Overigens kan mijn opvatting dat een algemeen geformuleerde vordering onder omstandigheden door de rechter kan worden ingevuld op goede gronden als te ruim worden beoordeeld. In het Clara Wichmann-arrest van 9 april 2010 overwoog de Hoge Raad dat het gevorderde verbod tot het laten voortbestaan van een onrechtmatige situatie binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn te vaag en algemeen was.7 En in een arrest van 21 december 2001 werd overwogen: ‘opmerking verdient hierbij dat het niet tot de taak van de rechter behoort een vordering zodanig te herformuleren dat zij uitsluitend ziet op handelingen die onder alle omstandigheden als onrechtmatig moeten worden beschouwd.’8
319. Het zal, met andere woorden, veelal van de omstandigheden van een specifiek geval afhangen of een vordering door de rechter kan worden gespecificeerd. Zwaarwegend belang komt daarbij vanzelfsprekend toe aan de vraag hoe een gedaagde een vordering moet hebben begrepen en of hij op een ‘aldus begrepen’ vordering heeft kunnen reageren.9 Het in art. 111 lid 2 onder d Rv neergelegde voorschrift dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan bevat, strekt er immers toe te verzekeren dat voor de gedaagde duidelijk is waartegen hij zich heeft te verweren en beschermt zodoende diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak.10 Het recht om zich te verdedigen tegen een vordering is onderdeel van het ook door art. 6 EVRM beschermde recht op hoor en wederhoor en kan alleen worden gediend als de eis duidelijk is geformuleerd en de gedaagde niet wordt verrast met een uitleg die hij niet behoefde te voorzien.11 In de jurisprudentie van de Hoge Raad is bovendien neergelegd dat een petitum dient te worden uitgelegd in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en van het processuele debat, zoals dit zich vervolgens heeft ontwikkeld.12 Ook daarin ligt besloten dat van belang is hoe de gedaagde een vordering heeft mogen begrijpen. Ik ga in paragraaf 10.3.1 nader hierop in.
320. Ik ga hierna ook nader in op de vrijheid die de rechter heeft bij het opleggen van een bevel of een verbod (paragraaf 10.2). Dat de rechter in belangrijke mate gebonden is aan het petitum staat echter vast. In algemene zin is dat het geval omdat de gedaagde anders niet weet waartegen hij zich heeft te verweren, maar ten aanzien van het bevel en verbod volgt dat ook nog eens uit art. 3:296 BW. Voor de vraag naar de effectiviteit van de remedie is dat van belang. Het is voor een eisende partij niet altijd te voorzien welke onderdelen van het gedrag van zijn wederpartij onrechtmatig zullen worden geacht als getoetst zal moeten worden aan de open norm van art. 6:162 BW. Het is uiteindelijk de rechter die dat vaststelt en die tot op zekere hoogte die norm invult. Een vordering die ertoe strekt ‘het onrechtmatige gedrag’ te verbieden kan in zo’n situatie de enige praktisch hanteerbare vordering zijn om die gedragingen waarvan nog moet worden vastgesteld dat zij onrechtmatig zijn, te omvatten. In zo’n situatie kan een dergelijk onbepaalde vordering dus ook nodig zijn om de (preventieve) effectiviteit van de remedie te waarborgen. Het is wat mij betreft niet in algemene zin ontoelaatbaar zo’n vordering tot uitgangspunt te nemen, mits uit het partijdebat maar volgt welke handelingen de eiser allemaal verboden wil hebben. De rechter op zijn beurt zal in het dictum de verboden handelingen moeten benoemen en waar nodig moeten begrenzen.