Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.1
3.3.1 Rechtsbeginselen en regels
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686126:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1974, p, 63, noemt het opsporen van het rechtsbeginsel zelfs “een der voornaamste functies der rechtswetenschap”. Vranken 1995, p. 86 en 87, maakt onderscheid tussen twee soorten rechtsbeginselen: de meest fundamentele noemt hij de algemene rechtsbeginselen die gelden voor het gehele burgerlijk (vermogens)recht. Hierbij denkt hij aan noties zoals respect voor de ander, rechtszekerheid en gelijkheid. Rechtsbeginselen van deze categorie zijn volgens hem de bruggenhoofden van recht en ethiek, vertrekpunten voor zowel juridisch als zedelijk handelen die aan het licht brengen dat het recht ook een morele dimensie heeft. Daarnaast (p. 92) noemt Vranken andersoortige “meer profane rechtsbeginselen” die hij omschrijft als “overkoepelende gezichtspunten, karakteristieke eigenschappen, uitgangspunten of inrichtingseisen”. Als ik Vranken goed begrijp, speelt de morele dimensie hier niet c.q. speelt zij slechts de tweede viool. Zie ook Addink 2018, paragraaf 25.2.1.
Timmerman 2008, p. 30.
Soeteman 1991, p. 21. Nieuwenhuis 1979, p. 4 wijst erop dat beginselen niet slechts het systeem van de wet beïnvloeden, maar dat zij in veel gevallen een systeem scheppen. Een systeem dat er niet zou zijn zonder die beginselen.
Vgl. de definitie die Dworkin 2021/1977, p. 39 geeft van een rechtsbeginsel: “I call a ‘principle’ a standard that is to be observed, not because it will advance or secure an economic, political, or social situation deemed desirable, but because it is a requirement of justice or fairness or some other dimension of morality”.
Zie bijvoorbeeld artikel 20 Handvest grondrechten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU naar aanleiding van dit artikel. Zo overweegt het Hof in zijn arrest van 17 oktober 2013, C-101/12, EU:C:2013:661 (Schaible), onder punt 76: “de in artikel 20 van het Handvest verwoorde gelijkheid voor de wet is een algemeen rechtsbeginsel van de Unie dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 11 juli 2006 (Franz Egenberger), C‑313/04, Jurispr. blz. I‑6331, punt 33).” Zie voorts het arrest van 13 november 1984 (Racke), zaak 283/83, Jurispr. 1984, blz. 3791, het arrest van 17 april 1997, zaak C-15/95 (EARL), Jurispr. 1997, blz. I-1961, en het arrest van 13 april 2000, zaak 292/97 (Karlsson), Jurispr. 2000, blz. 2737).
Vgl. HR 19 april 2013, NJ 2013/291 (Koot Beheer/Tideman q.q.), randnummer 3.6.1: “Dit is in overeenstemming met het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de faillissementswet ten grondslag ligt.” en HR 23 december 1926, NJ 1927/443, waar de HR overweegt dat het de taak van de curator is te zorgen “(…) dat de rechten van alle crediteuren gelijkelijk gehandhaafd worden (…)” Zie voorts: Van der Kwaak 1990, p. 100, laatste zin, in het kader van zijn bespreking van de hoofdregels van het verhaals- en beslagrecht, Boekraad 1997, p. 6 en Van der Feltz I 1994, p. 49.
Vgl. Asser/Sieburgh 2018/40 en Smith 2007, p. 110 en 111. Zie ook Hirsch Ballin 2013, p. 902: “De vraag welke normen behoren te worden nageleefd, is een kwestie van waarden die worden vertaald in rechtsbeginselen en constitutionele grondregels.”
Vgl. Dworkin 2021/1977, p. 40-41: “The difference between legal principles and legal rules is a logical distinction. … Rules are applicable in an all-or-nothing fashion. If the facts a rule stipulates are given, then either the rule is valid, in which case the answer it supplies must be accepted, or it is not, in which case it contributes nothing to the decision.” Zie Soeteman 1991, Soeteman 2009 en Raes 1991 voor kritische beschouwingen over dit scherpe onderscheid. Vgl. voorts Brouwer 1991 die concludeert dat Dworkins onderscheid houdbaar is.
Zie voor voorbeelden buiten het executierecht bijvoorbeeld: artikel 2:92 BW, artikel 7:646 BW, artikel 5 en verder Algemene Wet Gelijke Behandeling.
Vgl. bijvoorbeeld HR 12 april 2013, NJ 2013/224 (Megapool/Laser).
Vgl. Van der Kwaak, p. 215 e.v. en Boekraad 1997, p.7.
Er moet dus sprake zijn van schuldeiserspluraliteit (een concursus creditorum). In HR 11 juli 2014, NJ 2014/407 (ABN Amro-Berzona) onder 3.4.1. bevestigt de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 22 maart 1985, NJ 1985/548, dat het pluraliteitsvereiste nog steeds onverkort geldt.
Vgl. Boekraad 1997, p. 6 en Van der Feltz I 1994, p. 49.
Vgl. Bork 2016, p. 116.
De morele opvattingen die in een maatschappij leven, kunnen in mindere of meerdere mate worden teruggevonden in het recht. Dergelijke opvattingen zijn waarden die in het recht kunnen worden opgespoord door op een hoger abstractieniveau dan het niveau van de concrete rechtsregel het recht te analyseren. Die analyse brengt rechtsbeginselen aan het licht.1 Timmerman noemt dergelijke rechtsbeginselen grondgedachten van het recht.2 Soeteman stelt dat in een rechtsbeginsel tot uitdrukking komt waarom wij het recht c.q. bepaalde onderdelen van het recht belangrijk vinden.3 In veel rechtsbeginselen komen derhalve achterliggende waarden tot uiting.4
Gelijkheid, althans meer specifiek de metajuridische perceptie dat mensen het rechtvaardig vinden om in gelijke gevallen gelijk behandeld te worden, is zo’n waarde die in rechtsbeginselen tot uitdrukking komt.5 Toegespitst op het insolventierecht kan in dit verband gesteld worden, dat aan het faillissementsrecht het rechtsbeginsel van de gelijkheid van schuldeisers ten grondslag ligt.6 Dit beginsel houdt naar mijn mening in geval van een faillissement in dat schuldeisers in gelijke gevallen op gelijke wijze worden behandeld in het kader van de faillissementsprocedure. Het beginsel is hierbij niet gericht op de persoon van de schuldeiser, maar op zijn vermogensrechtelijke belangen. Het faillissementsrecht als onderdeel van het vermogensrecht is immers niet gericht op personen, maar op (de afwikkeling van botsende) verbintenissen. Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers ligt naar zijn aard ten grondslag aan de volledige faillissementsprocedure en speelt dus zowel een rol in de beheerfase als in de verdelingsfase.
Een rechtsbeginsel moet worden onderscheiden van een rechtsregel. Rechtsregels verbinden rechtsgevolgen aan bepaalde nader omschreven feiten: als “X” dan “Y”. Regels normeren menselijk gedrag. Rechtsbeginselen zijn de normatieve grondslag van rechtsregels.7 Een verschil tussen een rechtsregel en een rechtsbeginsel is hierbij dat een rechtsregel in een bepaald geval wel of niet van toepassing is, terwijl bij de beoordeling van een casus meerdere (onderlinge tegenstrijdige) beginselen van toepassing kunnen zijn.8
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt in het faillissementsrecht in de beheerfase met name tot uitdrukking in een in artikel 26 Fw neergelegde rechtsregel9: “Rechtsvorderingen, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde op geen andere dan een in artikel 110 bepaalde wijze worden ingesteld.” Deze stelling zal in deze paragraaf, maar ook in andere paragrafen van dit hoofdstuk nog verder worden uitgewerkt.
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers kan uitsluitend aan de orde worden gesteld indien de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers in het geding is. In een geschil tussen een curator en een debiteur van de boedel die weigert tot betaling over te gaan, hoort een beroep op het beginsel bijvoorbeeld niet thuis.10
In het collectieve executierecht (waarbij ik mij beperk tot het faillissement) is er meer behoefte aan rechtsregels die de gelijkheid van schuldeisers uitwerken, dan in het individuele executierecht. Dit houdt verband met het volgende.
Een gelegd verhaalsbeslag heeft een individualistisch karakter, d.w.z. het strekt uitsluitend tot zekerheid voor de individuele beslagleggende crediteur.11 Dit heeft ook tot gevolg dat een verhaalsbeslag slechts één dimensie heeft. Er wordt een verhaalsobject aangewezen en in het kader van de afwikkeling van het beslag dat is gelegd door een bepaalde schuldeiser, zijn (eventuele) overige verhaalsobjecten irrelevant.
Het faillissement daarentegen is een collectieve maatregel ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar.12 Het faillissement wordt wel een gerechtelijk beslag genoemd op het gehele vermogen van de schuldenaar en lijkt zo bezien ook wel eendimensionaal. Het vermogen (waaronder hier wordt verstaan de activa, d.w.z. de gezamenlijke vermogensrechten) van de schuldenaar bestaat echter (normaal gesproken) uit meerdere verhaalsobjecten. Zo bezien worden – in vergelijking met de situatie buiten faillissement – in feite meerdere beslagen tegelijk afgewikkeld. Doordat die “beslagen” niet individualistisch en niet eendimensionaal worden benaderd, maar als één algeheel “beslag” worden afgewikkeld, ontstaat er (in vergelijking met het individuele executierecht) in het kader van een faillissement meer behoefte aan regels, waarbij schuldeisers die in een gelijke positie verkeren niet ongelijk mogen worden behandeld. Nu het faillissement mede is ingesteld om de gelijke behandeling van de schuldeisers te bewaken,13 is in het kader van de inrichting van de faillissementsprocedure rekening gehouden met deze behoefte. Dit komt onder meer tot uiting in (procedurele) regels in de Faillissementswet waarin schuldeisers dezelfde (procedurele) rechten worden toegekend.14
Hierna zal ik ingaan op de in artikel 26 Fw neergelegde hoofdregel in de beheerfase waarin het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers met name als regel tot uitdrukking komt. Vervolgens worden de naar mijn mening belangrijkste wettelijke bepalingen besproken die bewerkstelligen dat er in de praktijk daadwerkelijk iets terecht kan komen van de gelijke behandeling van schuldeisers in faillissement. Daarna wordt ingegaan op het recht op informatie van schuldeisers van de schuldenaar in relatie tot het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers.