Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.2
6.2 Stap 1: Is sprake van een welbewuste standpuntbepaling?
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685408:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Damen 2018b, p. 41; ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:202, rov. 5.1; ABRvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1513, rov. 5.1 en ABRvS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3346. Voorbeelden van zaken waarin een verwachting niet concreet jegens appellant zijn gewekt zijn ABRvS 10 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7277; ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3510, AB 2016/408 en CRvB 27 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1143, AB 2020/354. Zie uitgebreid over de problemen ten aanzien van contact met de ‘juiste’ persoon binnen de overheid Damen 2014.
Zie bijv. CRvB 2 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2708, rov. 4.4.1 en ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2441, AB 2022/85, rov. 7. A-G Wattel heeft in zijn conclusie over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht voorgesteld een tweedeling te maken tussen enerzijds toezeggingen en anderzijds ‘alle overige uitlatingen/gedragingen’ (ECLI:NL:RVS:2019:896, onder 3.14). Vgl. Kortmann 2018, p. 167 die onder 3 ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2604. Verlening van ambtelijke en bestuurlijke medewerking is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een toezegging, zie ABRvS 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1074, rov. 13.5; ABRvS 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1874 en ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1225, rov. 8.4. Een uitzondering op dit uitgangspunt vormt een Afdelingszaak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953. De Afdeling is in die zaak van oordeel dat de brief van 21 april 2011 waarin het college van B&W heeft besloten in principe medewerking te verlenen aan de vestiging van een varkenshouderij aan de Kroosdijk te Harreveld, welke principemedewerking op 10 mei 2016 is herbevestigd door het college van B&W, kan worden aangemerkt als een toezegging. een onderscheid maakt tussen toezeggingen en ‘andere vertrouwenwekkende uitlatingen’.
Zie bijv. ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2877; ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3325; ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3857; ABRvS 29 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1297; ABRvS 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1327; ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1372; ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1971; CRvB 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3235, AB 2021/131; CRvB 14 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:119, AB 2021/137; ABRvS 22 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:130; CRvB 11 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:282, rov. 5.3; ABRvS 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2295; ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2504; ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:582; ABRvS 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1161; ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239; ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1369 en ABRvS 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1495. Voor de grote kans op het stranden bij deze horde werd al gewaarschuwd, zie bijv. Groot & Damen 2019 onder 4.1; Albers 2019 onder 4.2 en Groot 2020 onder 2.2. Groot maakt in zijn annotatie TBR 2020/133 een onderscheid tussen (i) uitlatingen die onvoldoende concreet zijn; (ii) uitlatingen die niet specifiek zien op de door appellant gewenste activiteit; (iii) uitlatingen die gelet op de fase waarin zij zijn gedaan geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen opleveren; (iv) uitlatingen waarbij een voorbehoud is gemaakt; (v) het stilzitten van het bevoegd gezag, waaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend en (vi) een onvoldoende onderbouwd beroep. Verheij 1997, p. 82 en Vermeer 2006b, p. 172-173 merkten reeds op hoe lastig het is een toezegging aan te tonen.
Zie onder 5 onder A van bijlage 1 van de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896, voor voorbeelden van mogelijk vertrouwenwekkende uitlatingen. Vgl. niet handelen: ABRvS 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2575: een welbewuste standpuntbepaling kan niet worden afgeleid uit langere tijd niet handhavend optreden, ook niet in combinatie met het niet doorzetten van een ingezet handhavingstraject. Zie ook onder 75 bijlage 1 van de conclusie over het vertrouwensbeginsel: stilzitten leidt niet tot verwerking van de bevoegdheid om te handhaven. Het bestuur mag van een toezegging tot gedogen terugkomen. Op grond van de nieuwe lijn van gedoogbeslissingen (waarbij die beslissingen gelden als een voorwaardelijke toezegging) geldt dat indien het bevoegd gezag alsnog binnen een gedoogperiode optreedt, de fidens zich kan beroepen op het vertrouwensbeginsel en op het bestuursorgaan in dat geval de motiveringslast rust om concrete bedreigde belangen van enige betekenis aan te wijzen die ertoe nopen alsnog handhavend op te treden, ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3045, TBR 2020/24. Zie voor een overzicht van vertrouwen ontlenen aan gedoogbeslissingen de conclusie van A-G Widdershoven over gedoogbeslissingen van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:86, onder 4.12-5. Indien in een gedoogbeslissing een voorbehoud is gemaakt, kan geen sprake zijn van een toezegging. Zie bijv. ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2753, rov. 8.1.
ABRvS 2 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1433, rov. 13.1.
CRvB 18 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:195, rov. 4.6; ABRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:223, rov. 3.6; CBb 30 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:355, rov. 5.3; CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2023, rov. 4.7; CRvB 10 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1990, rov. 4.7; CRvB 10 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2009, rov. 4.5; ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1920, rov. 4.2 en ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1916, rov. 10.2.
ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:202, rov. 5.1; ABRvS 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1513, rov. 5.1 en ABRvS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3346. Zie voor voorbeelden waarin een verwachting niet concreet jegens appellant is gewekt ABRvS 10 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7277; ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3510, AB 2016/408 en CRvB 27 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1143, AB 2020/354. Zie voor voorbeelden waarin geen gerechtvaardigde verwachtingen naar aanleiding van een informatieavond bestaan ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2569 en ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4072, AB 2019/304. Als stelregel geldt dan ook dat indien informatie slechts informatief is, daaraan geen vertrouwen kan worden ontleend: CRvB 16 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3219 en CRvB 16 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3220.
Zie bijv. het principebesluit, waarvan een bestuursorgaan terug mag komen. ABRvS 2 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4140, rov. 2.4.1; ABRvS 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2672 en ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1287. Een louter positieve houding van een bestuursorgaan wekt geen rechtens te honoreren vertrouwen: CBb 5 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:269; ABRvS 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:734, TBR 2020/94; ABRvS 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:775; ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:757; ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4174, AB 2019/60 en
CBb 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:491, AB 2018/466 en CRvB 31 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:869. Een redelijkerwijs kenbare fout mag in beginsel worden hersteld: CRvB 22 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3523, AB 2017/90.
Zie bijv. ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1110, AB 2016/411; ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3135, AB 2017/5; ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2134, AB 2018/344, rov. 7.2; ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2405, rov. 7-7.1; ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2745, rov. 6-6.1; ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2792, rov. 2.1; ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4072, AB 2019/304, rov. 5.2; CRvB 16 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2379; CRvB 15 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8281; ABRvS 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1867, rov. 4.2; CRvB 5 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:4; ABRvS 8 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:472, rov. 5.2; ABRvS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1068, rov. 15.1 en ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1739.
ABRvS 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1519, TBR 2020/146; ABRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:203, rov. 4.2; ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1586, AB 2020/315, rov. 6.2 en ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2175, JB 2020/185, rov. 5.3. In ABRvS 17 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2723, AB 2021/85 is een brief aan een nadere inspectie geworpen, waaruit bleek dat het beoogde gebruik in strijd zou zijn met een nieuw bestemmingsplan. Albers is in JB 2021/5 kritisch over de onduidelijke gang van zaken in die zaak. Zie ook CRvB 19 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2549; ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:90, AB 2020/243; ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:118; CRvB 19 oktober 2020 en CRvB 12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2055.
Zie bijv. CBb 29 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:137, waarin de betreffende uitlatingen van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat niet rechtstreeks zijn gericht aan appellante en geen betrekking hebben op haar specifieke situatie. Zij kan dan niet aan uitlatingen gedaan in een radio-uitzending gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen een bepaalde subsidie te krijgen.
In Rb. Gelderland 15 februari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:748-753 kon bijvoorbeeld vertrouwen worden ontleend aan een brief van 17 maart 2020 van de staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën-Toeslagen en Douane aan de Voorzitter van de Tweede Kamer over vergoeding van de eigen bijdrage van de kinderopvang tijdens de coronacrisis. In Rb. Midden-Nederland 28 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1289 mocht aan mededelingen (herhaaldelijke mededelingen van de twee bevoegde staatssecretarissen die via verschillende officiële kanalen bij het publiek terecht zijn gekomen) aan ‘ouders’ over de kinderopvang gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.2. Zie ook CRvB 23 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2624, JB 2018/191 en onder 77 van bijlage 1 van de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896.
Zie bijv. CRvB 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:165, AB 2021/136 en ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3031. Dat was reeds vaste jurisprudentie, zoals onder andere volgt uit ABRvS 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1434 en ABRvS 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3790, rov. 4. Vgl. ook de nieuwe lijn van de Afdeling over gedoogbeslissingen, die daarin worden gekwalificeerd als een voorwaardelijke toezegging: ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.
De eerste stap ziet op de beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘welbewuste standpuntbepaling’ over het uitoefenen van een bepaalde bevoegdheid, namelijk het nemen van een besluit. Een vertrouwenwekkende uitlating kan onder andere schriftelijk, mondeling (front office van het gemeentehuis of bijvoorbeeld een huisbezoek), telefonisch of via internet plaatsvinden.1 In de rechtspraak wordt bij deze eerste stap beoordeeld of er ‘toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen’.2 Het gaat om de vraag of sprake is van een ‘welbewuste standpuntbepaling’.
Bevoegdhedenovereenkomsten, toezeggingen en inlichtingen kunnen alle drie aan dat criterium voldoen. Ik behandel die uitlatingen hieronder, beginnend met ‘de toezegging’ nu die overheidsuitlating in de bestuursrechtspraak als archetypische ‘welbewuste standpuntbepaling’ wordt beschouwd. De eisen voor het aannemen van een welbewuste standpuntbepaling gelden echter voor alle uitlatingen, waarbij aangetekend dient te worden dat op een onvoorwaardelijke, resultaatgerichte toezegging het snelst gerechtvaardigd kan worden vertrouwd. Voor bevoegdhedenovereenkomsten geldt dat zij meestal beperkt zijn in de zin dat sprake is van inspanningsverplichtingen en daarmee geen definitieve standpuntbepaling over het inhoudelijke resultaat van toekomstige besluitvorming behelzen en voor inlichtingen geldt dat die niet altijd zien op de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid in een concreet geval maar slechts zien op uitleg van het recht.
De rechtspraak wijst uit dat een beroep op het vertrouwensbeginsel – zowel voor als na de Dakterras-uitspraak – dikwijls bij de eerste stap strandt.3 De redenen voor het niet aannemen van een welbewuste standpuntbepaling zijn talloos. In het algemeen blijkt dat een belanghebbende meent te kunnen vertrouwen op uitlatingen of gedragingen die bij nadere lezing geen standpuntbepaling behelzen over een concreet te nemen besluit.
Zo geldt voor tijdverloop en het niet eerder handhavend optreden tegen een overtreding dat zij in ieder geval niet gelden als een welbewuste standpuntbepaling van een bestuursorgaan dat het niet tot handhaving zal overgaan.4 Evenmin kunnen aan geldende regelgeving zoals een bestemmingsplan of een beheersverordening gerechtvaardigde verwachtingen worden ontleend over toekomstige besluitvorming.5 Ook kan het zo zijn dat een belanghebbende in het geheel geen stukken heeft overgelegd waaruit een (begin van een) welbewuste standpuntbepaling valt af te leiden6 of volgt uit de context van de overheidsuitlating dat geen sprake is van een welbewuste standpuntbepaling.7 Zo kan een uitlating ‘slechts’ een positieve grondhouding van het bestuursorgaan behelzen.8 Evenmin kan een burger rechten ontlenen aan door overheidsfunctionarissen gemaakte fouten.9
Een nadere lezing van een concrete uitlating door de rechter kan ook aantonen dat daarin geen welbewuste standpuntbepaling wordt gevonden.10 Bij zo’n nadere lezing betrekt de rechter de tekst van de uitlating en onderzoekt hij of de uitlating in de context waarin zij is gedaan, moet worden aangemerkt als een welbewuste standpuntbepaling.11 Uit die lezing kan blijken dat een uitlating bestaat uit algemeen geformuleerde informatie,12 in welk geval niet snel van een concreet en welbewust standpunt van een bestuursorgaan kan worden gesproken. Het is echter niet zo dat uitlatingen altijd voor één specifiek geval geformuleerd moeten zijn. Het gaat om de vraag of een belanghebbende in zijn concrete geval mocht vertrouwen op de uitlating.13
Om gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen ontlenen aan een overheidsuitlating, moet zij bovendien onvoorwaardelijk zijn. In overheidsinformatie is geregeld een voorbehoud of disclaimer te vinden. In de Dakterras-uitspraak heeft de Afdeling enkele woorden gewijd aan de status van een algemene disclaimer: aan een ongerichte disclaimer bij een overheidsuitlating die zonder die disclaimer een toezegging zou zijn, kan worden voorbijgegaan.14 Wanneer echter bij een uitlating een concreet voorbehoud is gemaakt, is geen sprake van een uitlating waaraan gerechtvaardigd vertrouwen op bepaalde besluitvorming kan worden ontleend.15
Na deze algemene opmerkingen over een ‘welbewuste standpuntbepaling’, ga ik hieronder in op de in dit onderzoek centraal gestelde overheidsuitlatingen. Zoals opgemerkt en ik hieronder nader uiteenzet, kunnen alle drie die uitlatingen onder voorwaarden een welbewuste standpuntbepaling opleveren waaraan gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend.
6.2.1 Standpuntbepaling in de vorm van een toezegging6.2.2 Standpuntbepaling in de vorm van een bevoegdhedenovereenkomst6.2.3 Standpuntbepaling in de vorm van een inlichting6.2.4 Te goeder trouw6.2.5 Conclusie stap 1