Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.2.3
6.2.3 Standpuntbepaling in de vorm van een inlichting
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685454:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
M. Scheltema 1975, p. 36. Hij merkt op p. 37 op hoe lastig het kan zijn om tussen toezeggingen en inlichtingen een onderscheid te maken.
Onder 3.14, ECLI:NL:RVS:2019:896.
Cramwinckel 2022, par. 4.5.
Par. 7.2.
Gorissen 2008, p. 42 schrijft dat vertrouwen ontleend aan inlichtingen in beginsel niet wordt gehonoreerd
Zie bijv CBb 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:786, AB 2021/18, rov. 3.4.
CBb 18 december 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AO1783; CBb 27 december 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AA9279 en CRvB 24 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4533. In ABRvS 11 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN3709 gaat het over ‘concrete ondubbelzinnige mededelingen’. Zie ook ABRvS 23 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2013:1667; ABRvS 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1683 en ABRvS 1 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7160. Soms wordt expliciet overwogen of van toezeggingen of mededelingen sprake is: CRvB 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6292.
Zie bijv. Bok 2004, onder 3; Van Meegen 2001, p. 23-24; De Vos 2011, p. 296-298; Nicolaï 1990, p. 365 en Van der Burg 1969, p. 20-21 en De Sterke 1989, onder 1.
Par. 4.4.
ABRvS 1 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2962, AB 2006/188, m.nt. N. Verheij (Teruggevorderde huursubsidie).
In CRvB 25 januari 2001, JB 2001/77 was de brochure ook dusdanig ondubbelzinnig dat die ‘geen enkele aanleiding vormde voor gedaagde om hieromtrent nadere informatie in te winnen’. Geen gerechtvaardigd vertrouwen kon aan een brochure of folder worden ontleend in ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3096; CRvB 23 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7621; CRvB 26 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3628 en CRvB 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3624.
CRvB 19 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1889.
CRvB 19 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1889, rov. 4.2. Zie ook CBb 14 november 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB8852 en CRvB 9 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO9490. Dit criterium lijkt op civielrechtelijke binding op grond van onjuiste informatieverstrekking, zie hoofdstuk 9.
CRvB 7 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:810.
ABRvS 2 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5397, Gst. 2006, 158.
ABRvS 2 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5397, rov. 2.10.8.
ABRvS 13 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR3795, AB 2005/68. Zie bijv. ook CBb 22 juli 1998, ECLI:NL:CBB:1998:ZG0107, AB 1999/73 (Salmonellabestrijding), waar de brief met informatie een ‘uitputtend en ondubbelzinnig’ karakter had en CRvB 5 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0092, AB 2007/297, waarin de CRvB het heeft over uitlatingen die vertrouwen hebben gewekt dat belanghebbende ten aanzien van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift ontvankelijk is. In CBb 11 november 2015, ECLI:NL:CBB:2015:375, AB 2016/402 was het voorbehoud slechts pro forma. Een niet geslaagd beroep op inlichtingen vormt CRvB 2 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2708. In bijv. CRvB 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:321 is ook – zonder succes – in het kader van het vertrouwensbeginsel een beroep op onjuiste informatie gedaan.
Rb. Oost-Brabant 11 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:28.
Vgl. par. 9.3.
Rov. 9. In deze overweging keren duidelijk de voorwaarden uit het toetsingskader van Van Zoggel terug, zie par. 3.5 en hoofdstuk 9. Vgl. Rb. Oost-Brabant 17 december 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6516 over klare taal in wetten en de uitleg daarvan op een website.
Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 510-512.
Voorbeelden van algemeen geformuleerde overheidsuitlatingen waaraan daardoor geen gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend, zijn te vinden in CBb 25 maart 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ5977; CRvB 21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:558; CRvB 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:986 en CBb 5 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:262, AB 2018/358. In CRvB 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1650, rov. 4.8 kon de medewerker gezien zijn functie slechts algemene informatie geven.
Dit uitgangspunt geldt nog sterker voor algemene inlichtingen: CRvB 25 augustus 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AN2747, AB 1992/617 waarin de Centrale Raad van Beroep overweegt: “Een soepele uitvoering van de sociale verzekeringswetgeving brengt nl. met zich dat informatie en mededelingen van de zijde van het uitvoeringsorgaan niet te spoedig mogen worden opgevat als die organen bindende uitlatingen, omdat die organen zich anders genoopt zouden zien voortaan hun beambten geen of slechts zeer summiere inlichtingen te laten geven.” Zie ook CRvB 29 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9161; CRvB 17 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6294 en CRvB 3 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0564, JB 2006/325, waarin weliswaar werd toegegeven dat de informatie onvolledig is geweest, maar het slechts ging om een brochure met algemene inlichtingen. Zie ook ABRvS 23 december 1996, AB 1997/413 waar in de brochure ook een duidelijk voorbehoud was gemaakt. In CRvB 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3785, AB 2011/189, rov. 3.2.4 week de informatie in de folder ook nog eens af van de wet.
Par. 3.5 en hoofdstuk 9.
Sinds de Dakterras-uitspraak hanteert de bestuursrechter het criterium van ‘welbewuste standpuntbepaling’ om te bepalen of sprake is van een overheidsuitlating waarop een belanghebbende mocht vertrouwen. Het gaat dan om de vraag of een bestuursorgaan zich heeft willen binden in de zin van het nemen van een bepaald besluit. Het nemen van een bepaald besluit wordt vervolgens voornamelijk gekoppeld aan toezeggingen (eenzijdig of vastgelegd in een overeenkomst) en minder aan ‘slechts’ informatieve inlichtingen. Zoals Scheltema in 19751 al schreef, betekent het feit dat inlichtingen niet de bedoeling hebben de overheid te binden echter niet dat zij niet kunnen binden.
A-G Wattel kiest in zijn conclusie over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht voor de term ‘welbewuste standpuntbepaling’.2 Deze term komt uit het belastingrecht, waar onder een dergelijke standpuntbepaling onder andere toezeggingen en akkoordverklaringen vallen.3 Inlichtingen hebben in het belastingrecht een iets andere betekenis als in het bestuursrecht, omdat inlichtingen daar niet kunnen zien op de concrete situatie.4 Zoals ik uiteen zal zetten, kunnen inlichtingen in het bestuursrecht wel een standpuntbepaling opleveren.
De jurisprudentie laat zien dat een burger onder omstandigheden – zij het slechts onder bijzondere5 – gerechtvaardigd kan vertrouwen op inlichtingen. In de rechtspraak – vooral sinds de Dakterras-uitspraak – wordt vaak beoordeeld of sprake is van een welbewuste standpuntbepaling in de vorm van ‘toezeggingen, uitlatingen, gedragingen’.6 Daaronder kunnen ook inlichtingen vallen. Tevens bestaat jurisprudentie waarin de bestuursrechter expliciet overweegt dat ook door ‘mededelingen’ of ‘inlichtingen’ een rechtens te eerbiedigen verwachting kan zijn gewekt.7 In de literatuur worden inlichtingen eveneens standaard gekoppeld aan een beroep op het vertrouwensbeginsel.8 Zoals eerder aan de orde gekomen, zijn uitlatingen vaak zowel als een inlichting als een toezegging aan te merken en is het uiteindelijk vooral aan de bestuursrechter hoe een uitlating definitief moet worden gekwalificeerd.9 In mijn synthese in deel V maak ik wel een onderscheid tussen die overheidsuitlatingen om twee probleempunten op te lossen. Dat is ten eerste dat een beoordeling door de bestuursrechter nu geregeld ophoudt bij de constatering dat geen sprake is van een toezegging en ten tweede dat de toepassingsvoorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in geval van inlichtingen onduidelijk zijn. Rechtspraak waarin gerechtvaardigd mocht worden vertrouwd op inlichtingen is weliswaar schaars, maar zeker niet uniek.
Zo oordeelt de Afdeling in 200610 dat de overheid is gebonden aan een onvolledigheid in een algemene informatiefolder, te weten de toelichting bij een huursubsidiebericht. In dat geval had de toelichting bij appellante de verwachting gewekt dat zij in aanmerking kwam voor huursubsidie, nu haar vermogen op basis van die informatie onder de voor de huursubsidie relevante vermogensgrens lag. In de toelichting is evenwel verzuimd op te nemen dat voor de vermogensbepaling in het licht van de huursubsidie – anders dan bij de vermogensbepaling van box 3 – groene beleggingen tot de bezittingen worden gerekend. De huursubsidie bleek ten onrechte uitgekeerd. De Afdeling honoreert de verwachtingen die bij appellante waren ontstaan. De toelichting op het huursubsidiebericht bevatte namelijk zeer specifieke en gedetailleerde informatie. Dit suggereerde een hoge graad van volledigheid. Op grond daarvan mocht appellante uitgaan van de juistheid van de gegevens, zo overweegt de Afdeling, en wordt het bestuursorgaan ondanks de afwezigheid van een klassieke toezegging gebonden.
Annotator Verheij wijst op het hoge ‘witteraafgehalte’ van deze uitspraak.11 Er bestaat echter meer van dit soort rechtspraak, zoals hieronder blijkt.
De Centrale Raad van Beroep erkent in een uitspraak uit 200812 met zoveel woorden dat ook onjuiste informatie (die geen toezegging is) een beroep op het vertrouwensbeginsel kan rechtvaardigen (nadruk toegevoegd):
“Dienaangaande is de Raad van oordeel dat appellant er ook in hoger beroep niet in is geslaagd om voldoende te onderbouwen en daarmee aannemelijk te maken dat onder de verantwoordelijkheid van de IB-Groep aan appellant in rechte te honoreren op zijn situatie toegespitste concrete toezeggingen zijn gedaan of dat appellant door onjuiste informatie van medewerkers van de IB-Groep op het verkeerde been is gezet.”13
In een zaak van de Centrale Raad van Beroep uit 2022 moest appellant ook op grond van het vertrouwensbeginsel worden gecompenseerd voor ‘de onjuiste mededeling’ over het kunnen meenemen van een toeslag naar het buitenland.14
In een zaak van de Afdeling uit 200515 wilde appellant vóór zijn koop van een woning informatie over het vigerende bestemmingsplan, naar aanleiding waarvan hij besloot in het plangebied een woonhuis te kopen en dat permanent te bewonen. Door de gemeenteambtenaar is zonder enig voorbehoud medegedeeld aan appellant ‘dat voor deze gronden de bestemming “Woondoeleinden” gold, zodat ter plaatse permanent mocht worden gewoond’. Op dat moment was het bestemmingsplan echter nog niet onherroepelijk in werking getreden. Volgens de Afdeling kan appellant, gezien de verstrekte informatie, in redelijkheid niet worden verweten dat hij ondanks de verschafte informatie had moeten weten dat de bestemming “Woondoeleinden” voor de gronden nog niet onherroepelijk was goedgekeurd.16 Onder de hierboven geschetste omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat in deze concrete situatie handhavend optreden tegen het gebruik door appellant van de woning voor permanente bewoning zou leiden tot een zodanig onevenredig nadeel voor appellant in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhavend optreden behoorde te worden afgezien. In het plan diende dan ook een regeling te worden opgenomen voor het bestaande gebruik.
Gelet op de hierna te bespreken op de fidens rustende onderzoeksplicht, is dit een opvallend oordeel. De Afdeling overweegt simpelweg dat van appellant niet verwacht hoefde te worden dat hij nader onderzoek zou verrichten door bijvoorbeeld zelf het bestemmingsplan te bekijken. Het zal appellant geholpen hebben dat het bestuur op de zitting heeft bevestigd dat de inlichting ondubbelzinnig was.
In een uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2004 mocht appellante vertrouwen op door de klantenservice telefonisch en schriftelijk verstrekte informatie, die was verstrekt naar aanleiding van een duidelijke en concrete vraag of zij een nieuwe aanvraag moest indienen. Op de mededeling dat een nieuwe aanvraag niet nodig was mocht appellante vertrouwen, zodat de daaropvolgende afwijzing van de aanvraag voor een beheerssubsidie in strijd is met het vertrouwensbeginsel.17
In lagere rechtspraak van de socialezekerheidsrechter zijn inlichtingen als bron van gerechtvaardigd vertrouwen eveneens terug te vinden. Zo oordeelt de Rechtbank Oost-Brabant18 dat de informatie op de website van de UWV en van een medewerker van het UWV over korting van het Belgisch rustpensioen niet toereikend was. Eiser had bij het UWV geïnformeerd naar de effecten van het naar voren halen van onder andere zijn Belgisch pensioen. Een medewerker van het UWV heeft ten onrechte laten weten dat dat geen effect zou hebben op de inkomenseis.
Volgens de rechtbank is sprake van een onvolledige beantwoording van een zeer duidelijke vraag van betrokkene.19 Daar komt volgens de rechtbank – ten overvloede – bij dat het vertrouwen op die uitlating is versterkt door de informatie op de website van het UWV. Eiser mag er volgens de rechtbank op vertrouwen dat het UWV op zijn eigen website juiste informatie plaatst. Het beroep van het UWV dat op die site slechts algemene informatie staat, vindt bij de rechtbank – mijns inziens terecht – geen genade. Eiser heeft immers contact gezocht met een medewerker van het UWV en die heeft hem onjuist ingelicht. Dat het UWV heeft verzuimd om volledige informatie aan eiser te verstrekken mag, naar het oordeel van de rechtbank, niet ten nadele van eiser komen.20
Dit soort gemotiveerde rechtspraak – waarin een rechtbank de standaardargumenten van het bestuursorgaan waarom geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen op inlichtingen gemotiveerd afwijst, duidelijk vanuit het burgerperspectief een beroep op uitlatingen beoordeelt én erkent dat ook inlichtingen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen wekken – komt de rechtsbescherming ten goede. De door de rechtbank in deze zaak gehanteerde aanpak, stel ik in Deel V voor als ‘standaardaanpak’.
In de literatuur is de opvatting te vinden dat bestuursorganen niet te snel aan inlichtingen gebonden moeten kunnen worden. 21Dit zou des te meer gelden voor algemene informatie.22Deze opvatting komt terug in de rechtspraak. Zo stellen bestuursorganen zich regelmatig op het standpunt dat een belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan bijvoorbeeld een folder omdat die slechts algemene informatie geeft.23 Een dergelijke informatiebron kan geen concrete, op de situatie van een belanghebbende toegespitste informatie – geen welbewuste standpuntbepaling – bevatten.
Van deze ambigue verhouding tot de mogelijke binding van een overheid aan informatieverstrekking in het bestuursrecht, is geen spoor te bekennen in het in het volgende hoofdstuk aan de orde zijnde belastingrecht. Daar wordt de mogelijkheid dat vertrouwenwekkende uitlatingen in de vorm van inlichtingen tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen leiden al decennia erkend. Ditzelfde geldt voor het civiele recht, waar een overheid onder voorwaarden met succes aansprakelijk kan worden gesteld voor het verstrekken van onjuiste informatie.24
Zoals benoemd in paragraaf 2.4.4, dient informatieverstrekking bovendien een rechtsstatelijk belang. Dat rechtsstatelijke belang betekent weliswaar niet dat op de overheid een resultaatsverplichting rust om altijd (actief) volledige en juiste informatie te verstrekken, maar wel dat in de concrete situatie waarin inlichtingen zijn gegeven moet worden beoordeeld of de overheid aan haar voorlichtende taak heeft voldaan. Is de burger in het concrete voldoende ‘rechtszeker’ gemaakt door de inlichtingen? In het civiele recht wordt die vraag uitgewerkt via een beoordeling of sprake is van een waarheidsplicht, oftewel of een overheid volledige informatie heeft verstrekt waar een burger zijn handelen op mocht afstemmen.
In hoofdstuk 11 zet ik uiteen hoe de bestuursrechter – met aansluiting bij de civiele rechter – op een systematische en burgervriendelijke wijze de gerechtvaardigdheid van vertrouwen gewekt door inlichtingen kan toetsen en kan beoordelen of dat vertrouwen ook beschermd moet worden.