Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9.5
8.9.5 De rechtsverhouding tussen de verkoper en de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396148:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor in paragraaf 8.9.1.
Vgl. Derleder 1975, p. 36 en p. 42 die opmerkt dat de mogelijkheid om het Anwartschaftsrecht te vervreemden daarmee beperkt wordt tot het inzetten van dat recht als onderpand voor verleend krediet.
Zie hiervoor in paragraaf 8.5.1. In de M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389-390 wordt in dat verband nog verwezen naar Palandt/Hoche 1965, § 929 BGB, Rn.6 B b) bb), alwaar wordt opgemerkt dat de koper zich reeds voor vervulling van de voorwaarde op zijn gebruiksrecht kan beroepen jegens de eigenaar die niet betrokken is naar de koopovereenkomst, waaruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat de wetgever deze opvatting voor het Nederlandse recht tot de zijne maakt.
Rank-Berenschot 1992, p. 230. In die richting ook Mezas 1985, p. 48-49 en Scheltema 2017, p. 101. Anders: Kortmann 1996, p. 189, Verstijlen 2007, p. 828 en Rongen 2017, p. 223. Steun voor deze opvatting bieden bijv. art. 6:180 lid 2 BW en art. 7:10 BW, welke bepalingen immers (mede) berusten op de gedachte dat het risico en de aansprakelijkheid dienen te liggen bij degene die de macht over de zaak uitoefent, omdat diegene in staat is de aan de verkochte zaak verbonden risico’s te beheersen. Zie voor art. 7:10 BW hiervoor in hoofdstuk 5, paragraaf 5.5 en voor de risico-aansprakelijkheden M.v.T., Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6. Naar Duits recht biedt § 107 InsO tegenwoordig een argument voor een goederenrechtelijk gebruiksrecht van de koper, nu de koper zijn gebruiksrecht op grond van die bepaling ook kan tegenwerpen aan de schuldeisers van de verkoper en de curator in diens faillissement. Zie Hoffmann 2016, p. 291-292.
Vgl. Bauknecht 1955, p. 1252, Stoll 1967, p. 16 (die daar zelf overigens sceptisch tegenover staat) en Rank- Berenschot 1992, p. 230.
Voor de duidelijkheid merk ik daarbij op dat ik hierbij alleen de vraag naar het gebruiksrecht van de eigenaar onder opschortende voorwaarde bespreek in het kader van een overdracht onder opschortende voorwaarde. Voor een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde dat niet tot stand komt door een overdracht onder opschortende voorwaarde, maar bijvoorbeeld bij de vervreemder achterblijft als gevolg van een overdracht onder ontbindende voorwaarde, gelden deze overwegingen niet, nu daar juist uit de levering ex art. 3:90 BW in het kader van de overdracht onder ontbindende voorwaarde volgt dat het gebruiksrecht van de zaak bij de eigenaar onder ontbindende voorwaarde ligt. Vgl. ook Scheltema 2017, p. 101. Maar de argumentatie is hetzelfde: in beide gevallen volgt het recht van de voorwaardelijk eigenaar om de zaak onder zich te hebben uit de levering, die daarmee mede de inhoud van het voorwaardelijk eigendomsrecht vormgeeft. Nog weer anders is de situatie bij een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in het kader van een tweetrapsmaking. Dat eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gaat immers – net als bij de overdracht onder ontbindende voorwaarde – niet gepaard met macht over de zaak zelf. In dat verband regelt art. 4:138 BW uitdrukkelijk de rechtsverhouding tussen eigenaar onder ontbindende voorwaarde en opschortende voorwaarde gedurende de periode van onzekerheid, waaruit blijkt dat het recht om de zaak onder zich te hebben berust bij de eigenaar onder ontbindende voorwaarde. Vgl. ook Rummel/Spielbüchler 2000, §§357- 360 ABGB, Rn. 9 die onderscheidt tussen het Anwartschaftsrecht enerzijds, dat de verkrijging van de onvoorwaardelijke eigendom waarborgt, en een gebruiksrecht anderzijds, dat niet inherent is aan elk Anwartschaftsrecht, maar bij het eigendomsvoorbehoud volgens hem gelet op de finaliteit van de Übergabe wel goederenrechtelijk karakter heeft. Vgl. ook Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 68, die opmerkt dat het Anwartschaftsrecht bij eigendomsvoorbehoud verder strekt dan gewoonlijk op grond van de Vorwirkungen van een voorwaardelijke beschikking het geval is. Ten onrechte baseert hij deze verdergaande positie op de omstandigheid dat de koper een wilsrecht zou hebben (zie daarover kritisch paragraaf 8.4.4). Beslissend is m.i. dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in dit geval onlosmakelijk samenhangt met de machtsverschaffing. Zie in dit verband ook de beschouwingen van Spielbüchler 1981, p. 505-511 waarin hij vanwege de op eigendomsovergang gerichte levering het gebruiksrecht niet slechts van obligatoire aard beschouwt en de positie van de koper vervolgens vergelijkt met die van een vruchtgebruiker. Dit bijzondere aspect wordt over het hoofd gezien door Koziol 1968, p. 497-498 die eenvoudigweg alle Anwartschaftsrechte over een kam scheert.
Anders: Letzgus 1938, p. 23-24, die aanneemt dat de verschaffing van de feitelijke macht ‘endgültig’ moet zijn. Zo ook Brecht 1912, p. 289-290. Vgl. Bauknecht 1955, p. 1252 die, teneinde dit resultaat te vermijden, concludeert tot het goederenrechtelijk karakter van het Anwartschaftsrecht.
Bauknecht 1955, p. 1252 en Diederichsen 1965, p. 128-129.
De door Staudinger/Gursky 2012, § 986 BGB, Rn. 13 als onbevredigend bestempelde consequentie dat de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zich kan verweren tegen de revindicatie door de verkoper, wanneer laatstgenoemde de koper een Besitzpflicht heeft opgelegd, moet om deze redenen derhalve voor lief worden genomen.
Zo bijv. Rühl 1930, p. 106-107, Serick 1963, p. 272 en p. 276, Mayrhofer 1969b, p. 287, Frotz 1970, p. 72, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 594-595, BGB-RGRK/Pikart 1979, § 986 BGB, Rn. 9, Brox 1984, p. 659, Rummel/Spielbüchler 2000, §§357-360 ABGB, Rn. 9, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 49, Wilhelm 2010, p. 913, Staudinger/Gursky 2012, § 986 BGB, Rn. 13 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 38. Zie uit de Oostenrijkse rechtspraak OGH 29 mei 1990, zaaknr. 5Ob642/89. Vgl. echter ook Klang/Kodek 2011, § 366 ABGB, Rn. 106.
In die richting ook Struycken 2016, p. 183-184.
Derleder 1975, p. 40-42. Vgl. ook Georgiades 1963, p. 126-127. Anders: Gudian 1967, p. 1788.
Derleder 1975, p. 41.
Derleder 1975, p. 42 en Mezas 1985, p. 49.
Zoals Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 590 zal het in ieder geval in het belang van de verkoper zijn om de derdeverkrijger de mogelijkheid te geven de koopprijs te voldoen.
Niet eenvoudig te beantwoorden is de vraag hoe de verhouding is tussen het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, waar het aankomt op het recht om de zaak gedurende de periode van onzekerheid onder zich te hebben (hierna kortweg: het gebruiksrecht). Zolang de eigenaar onder ontbindende voorwaarde en de eigenaar onder opschortende voorwaarde ook de partijen zijn bij de koopovereenkomst, wordt deze vraag beheerst door de koopovereenkomst. Gewoonlijk zal daaruit voortvloeien dat de koper het recht heeft op het gebruik van de zaak gedurende de periode van onzekerheid. Uit de koopovereenkomst vloeit daarmee een obligatoir gebruiksrecht voort. Maar kan de eigenaar onder opschortende voorwaarde zijn gebruiksrecht daarnaast ook baseren op zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als tegenwerpbaar recht aan derden? Deze vraag krijgt relevantie op het moment dat de koper zijn voorwaardelijk eigendomsrecht overdraagt aan een derde. Tussen de verkoper en de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht bestaat immers geen koopovereenkomst waarop de derde een eventueel gebruiksrecht kan baseren. Dikwijls zal uit de koopovereenkomst zelfs voortvloeien dat de koper verplicht is het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde niet op een wijze over te dragen die gepaard gaat met het uit handen geven van de zaak.1 De vraag die rijst is of de verkoper de zaak vervolgens kan opvorderen van de eigenaar onder opschortende voorwaarde, omdat deze de zaak zonder recht houdt in de zin van artikel 5:2 BW, als gevolg waarvan de eigenaar onder opschortende voorwaarde gehouden is de zaak af te geven aan de verkoper of koper. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst de vervolgvraag of de eigenaar onder opschortende voorwaarde de zaak ook mag gebruiken.
Het komt mij voor dat een geheel bevredigende oplossing voor dit vraagstuk nauwelijks te geven valt. Dat hangt samen met het volgende. De verkoper heeft er in het algemeen belang bij dat de zaak zich bij de koper bevindt, zodat de verkoper gemakkelijk kan overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, zonder dat hij hoeft te onderzoeken bij welke derde de zaak zich bevindt en zonder dat hij zich hoeft in te laten met anderen dan de koper. Bovendien is het de verkoper niet zonder meer onverschillig wie de zaak onder zich heeft en gebruikt. De koper heeft er daarentegen belang bij zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde te kunnen vervreemden aan anderen. Indien de koper niet in staat is de derde een tegen de verkoper werkend gebruiksrecht te verschaffen, wordt hij sterk beknot in de mogelijkheden om zijn voorwaardelijk eigendomsrecht te vervreemden. Per saldo zou de mogelijkheid tot vervreemding van het voorwaardelijk eigendomsrecht daarmee beperkt blijven tot een levering c.p., waarbij de koper de zaak onder zich houdt.2 Aldus is sprake van een frontale botsing van het belang van de verkoper om de zaak binnen handbereik te houden en het belang van de koper om zonder al te veel belemmeringen te kunnen beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.
Het meest bevredigt naar mijn mening de oplossing die voorrang geeft aan de belangen van de koper en de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Daarvoor pleit het volgende. Zoals hiervoor in paragraaf 8.5.1 is gebleken, kan de koper onder eigendomsvoorbehoud zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde tegenwerpen aan de eigenaar onder ontbindende voorwaarde, indien de verkoper als beschikkingsonbevoegde de zaak onder eigendomsvoorbehoud heeft overgedragen en de koper op het moment van de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW voldeed aan de vereisten van artikel 3:86 BW. Daaruit kan in ieder geval worden afgeleid dat de bevoegdheid van de koper om de zaak gedurende de periode van onzekerheid onder zich te houden niet alleen volgt uit de koopovereenkomst met de verkoper maar tevens voortvloeit uit het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zelf. De eigenaar onder ontbindende voorwaarde is immers geen partij bij de koopovereenkomst, maar moet wel gedogen dat de koper de zaak gedurende de periode van onzekerheid onder zich houdt. Dit resultaat wordt onderschreven in de parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt dat de wetgever aan het recht van de eigenaar onder opschortende voorwaarde om de zaak onder zich te hebben in zekere zin een goederenrechtelijk karakter heeft gegeven, althans dat recht mede van goederenrechtelijke aard heeft beschouwd.3 Het komt mij voor dat, wanneer aan de koper die van een beschikkingsonbevoegde een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft verkregen een zodanige positie komt die hij kan tegenwerpen aan de eigenaar onder ontbindende voorwaarde, dit a fortiori moet gelden voor degene die dit eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van een beschikkingsbevoegde – namelijk de koper – heeft verkregen, terwijl de verkoper de macht over de zaak bovendien zelf heeft afgestaan aan de koper.
Daarmee kan gezegd worden dat de macht die de koper uitoefent over de zaak in zekere zin ‘kleeft’ aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zelf, en niet uitsluitend voortvloeit uit de koopovereenkomst.4 Aanknopingspunten daarvoor bieden artikel 3:92 lid 1 BW, dat aan een eigendomsvoorbehoud de strekking verbindt dat de zaak in de macht van de ander wordt gebracht, en artikel 3:91 BW dat nadrukkelijk uitgaat van het in de macht brengen van de zaak aan de verkrijger aan wie onder opschortende voorwaarde wordt overgedragen. Hieruit blijkt dat bij de eigendomsoverdracht onder opschortende voorwaarde het in de macht hebben van de zaak een integrerend onderdeel vormt van de rechtspositie van de verkrijger onder opschortende voorwaarde.5 Het in de macht brengen van de zaak vormt voor de totstandkoming van de overdracht onder opschortende voorwaarde immers een centraal vereiste.6
Het kwalificeren van de bevoegdheid om de zaak onder zich te hebben als zuiver contractueel staat bovendien op gespannen voet met de erkenning van het zelfstandige karakter en de overdraagbaarheid van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.7 Weliswaar zou de omstandigheid dat de verkoper de zaak na overdracht van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan opvorderen van de verkrijger de overdracht van het voorwaardelijk eigendomsrecht niet aantasten,8 wel zou de koper daardoor zowel jegens de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als ook jegens de verkoper tekortschieten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen. Aldus wordt de koper met de ene hand de mogelijkheid tot overdraagbaarheid gegeven, maar wordt deze mogelijkheid met de andere hand praktisch weer tenietgedaan. Om deze reden moet de erkenning van de zelfstandige overdraagbaarheid van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gepaard gaan met de mogelijkheid om de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ook de bijbehorende positie met betrekking tot de zaak moet kunnen verschaffen. Een andersluidende opvatting zou het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in de hand van een ander dan de koper reduceren tot een buitengewoon wankel recht.9
De hier verdedigde opvatting sluit ook aan bij de strekking van artikel 3:83 lid 1 BW, omdat de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde niet rechtstreeks wordt geconfronteerd met de contractuele beperkingen van de wijze waarop de koper het voorwaardelijk eigendomsrecht mag overdragen. Uit de strekking van artikel 3:83 lid 1 BW volgt immers dat contractuele vervreemdingsverboden of -beperkingen geen gevolgen hebben voor een inmiddels in strijd met een dergelijk verbod verworven positie van een derde en dat degene die het verbod had bedongen zich moet wenden tot zijn wederpartij die in strijd met het verbod heeft gehandeld. Met de hier verdedigde opvatting wordt het scherpe onderscheid behouden tussen het rechtens kunnen en het rechtens mogen en de relatieve werking van een dergelijke vervreemdingsbeperking, in die zin dat de verkoper zich tot de koper moet wenden indien laatstgenoemde in strijd met een daartoe strekkend verbod het voorwaardelijk eigendomsrecht toch door feitelijke overgave van de zaak heeft overgedragen.10
De vraag of de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ook een gebruiksrecht heeft ten aanzien van de zaak, is daarmee nog niet beantwoord. De bevoegdheid om de zaak te gebruiken heeft als uitgangspunt slechts een contractuele grondslag. De verkoper en de koper kunnen immers ook overeenkomen dat weliswaar terstond de macht over de zaak aan de koper wordt verschaft, maar hij deze vooralsnog niet mag gebruiken. Bij de beoordeling van de vraag of de eigenaar onder opschortende voorwaarde een gebruiksrecht heeft, ligt het dan ook voor de hand om beslissende betekenis toe te kennen aan de vraag in hoeverre het de koper op grond van de koopovereenkomst is toegestaan de zaak te gebruiken en dit gebruik ook af te staan aan derden.11 Indien aan de koper de bevoegdheid is toegekend om de zaak uit handen te geven, dan kan de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zijn gebruiksbevoegdheid afleiden uit deze afspraak tussen de verkoper en de koper. Bestond een zodanige bevoegdheid niet, dan heeft de verkrijger van het voorwaardelijke eigendomsrecht geen aan de verkoper tegenwerpbaar gebruiksrecht.12 Een afweging van de betrokken belangen van de verkoper, koper en verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde wijst naar mijn mening echter in een andere richting.
In de eerste plaats zou het tamelijk zinledig zijn indien de verkoper de zaak niet zou kunnen opvorderen van de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht, maar laatstgenoemde de zaak desalniettemin niet zou mogen gebruiken. Ten tweede strookt deze oplossing met het feit dat de koper ook een tegen de eigenaar onder ontbindende voorwaarde tegenwerpbaar gebruiksrecht heeft, indien de verkoper als beschikkingsonbevoegde over de zaak heeft beschikt. In de derde plaats sluit het gebruiksrecht van de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht aan bij de rechtsgevolgen van het eigendomsvoorbehoud, in die zin dat de verkoper door als eerste te presteren met betrekking tot de (af)leveringsverplichting, als gevolg waarvan hij zijn gebruiksbevoegdheden ten aanzien van de zaak gedurende de periode van onzekerheid heeft afgestaan aan de koper.13 Eerst door ontbinding van de koopovereenkomst kan de verkoper bewerkstelligen dat hij ook weer de zeggenschap over het gebruik van de zaak verkrijgt. Voor die tijd kan de verkoper zijn reeds nagekomen verplichting niet ongedaan maken. Weliswaar berusten deze rechtsgevolgen op de tussen de verkoper en de koper gesloten koopovereenkomst, maar gelet op de hiervoor genoemde argumenten over de zelfstandige overdraagbaarheid van het voorwaardelijk eigendomsrecht moet mijns inziens eveneens worden aangenomen dat, zolang de koopovereenkomst in stand is, hetzelfde geldt voor de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, die daardoor per saldo een goederenrechtelijk gebruiksrecht aan zijn voorwaardelijk eigendomsrecht kan ontlenen, zolang de koopovereenkomst nog vervuld kan worden en het voorwaardelijk eigendomsrecht derhalve nog bestaat. Aldus wordt bewerkstelligd dat het gebruik door de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht niet met een hardere sanctie wordt bedreigd, dan in geval van gebruik door de koper in strijd met de koopovereenkomst.14 Zolang de verkoper derhalve op basis van de koopovereenkomst niet gerechtigd zou zijn de zaak van de koper op te vorderen, dient hetzelfde te gelden voor de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht.15
Volstrekt zeker is de positie van de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde daarmee echter niet. Indien het uit de macht geven van de zaak of het gebruik door de derde in strijd komt met de tussen verkoper en de koper gesloten koopovereenkomst, kan de verkoper de koopovereenkomst ontbinden als gevolg waarvan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde komt te vervallen.16 Denkbaar is evenwel dat de mogelijkheid om tot ontbinding over te gaan in voorkomende gevallen wordt begrensd, indien het belang van de verkoper door de tekortkoming niet of nauwelijks is geschaad. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde vrijwillig bereid is de zaak weer af te staan aan de koper of aanbiedt de verschuldigde prestatie binnen afzienbare tijd aan de verkoper te voldoen.17