Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.5
4.5 Het gewicht dat de rechtspraak toekent aan de omstandigheden uit artikel 6:52 lid 2 BW
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950367:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gezichtspunt in de zin van een omstandigheid die in de beschouwing kan worden betrokken (zie ook Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 40, voetnoot 146).
Zie § 3.7.3.
HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, NJ 1992/226 (Breda/Antonius), r.o. 3.3. Cursiveringen GJB.
Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/45; Klomp 2019a, aant. 11 en Linssen 1993, p. 173.
HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, NJ 1992/226 (Breda/Antonius), r.o. 3.1.
HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0558, NJ 1992/378 (Arel/Van de Stolpe), r.o. 3.3. Cursivering GJB.
Zie Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/47 onderdeel a. Aangezien het arrest is gewezen na de inwerkingtreding van het huidige BW, bepaalde dat BW of Arel een bevoegdheid tot opschorting van de nakoming van haar verbintenis jegens Van de Stolpe had (art. 180 overgangswet nieuw BW).
Zie § 3.7.3.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:281, r.o. 3.13.4; Rb. Amsterdam 8 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:828, r.o. 4.11; Rb. Amsterdam 28 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6920, r.o. 15; Rb. Gelderland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3943, r.o. 4.24; Rb. Amsterdam 2 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6086, r.o. 4.4; Rb. Rotterdam 28 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT7542 onder ‘De beoordeling (…) voorts in conventie’; Rb. Zutphen 13 februari 2008, ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3052, r.o. 5.25; Rb. Noord-Nederland (vzr.) 27 september 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5724, r.o. 5.5; Rb. Amsterdam (vzr.) 25 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1993, r.o. 19; Rb. Breda (vzr.) 5 januari 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BO9920, r.o. 4.5; Rb. Arnhem (vzr.) 22 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BK7340, r.o. 4.6; Rb. Arnhem (vzr.) 11 september 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9801, r.o. 4.3 en GEA van Aruba 27 maart 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:188, r.o. 3.8. Vgl. Rb. Midden-Nederland 7 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3612, r.o. 4.6.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 11 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2103, r.o. 6.11.3 onderdeel b; Rb. Oost-Nederland 20 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ7274, r.o. 4.14-4.15; Rb. Arnhem 18 april 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW4928, r.o. 4.9; Rb. Middelburg 30 augustus 2006, ECLI:NL:RBMID:2006:AY8598, r.o. 4.3; Rb. Maastricht (vzr.) 15 februari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9461, r.o. 3.5 en Rb. Maastricht (vzr.) 31 januari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AD8752, r.o. 3.4.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2213, r.o. 4.5; Hof ’s-Hertogenbosch 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3600, r.o. 3.6.1-3.6.2 en Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:4782, r.o. 7.6.3 en 7.7.1.
Zie bijv. HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970, RvdW 2023/724, r.o. 3.3.2 (“Bij een overeenkomst van aanneming van werk bestaat voldoende samenhang tussen de verplichting van de aannemer het door hem tot stand gebrachte werk op te leveren en de verplichting van de opdrachtgever de overeengekomen prijs te betalen (art. 7:750 BW).”); Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11265, r.o. 5.19 (‘wordt aangenomen’); Hof ’s-Hertogenbosch 24 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3972, r.o. 8.6 (‘immers’); Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:418, r.o. 4.24 (‘nu’); Rb. Overijssel 13 februari 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1196, r.o. 8.31 (‘immers’); Rb. Rotterdam 1 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5320, r.o. 4.10 (‘nu’);
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10592, r.o. 2.1, waarin het ongemotiveerd oordeelde dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen; Hof Amsterdam 5 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:16, r.o. 3.9 (‘immers’); Hof ’s-Hertogenbosch 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3758, r.o. 4.15.2 (‘In ieder geval’); Rb. Oost-Brabant 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4508, r.o. 4.18 (‘Nu’) en Rb. Noord-Holland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:141, r.o. 4.11 (‘immers’). Zie voor een summiere motivering van het tegendeel Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3957, r.o. 3.7, waarin het oordeelde dat niet aan het samenhangcriterium is voldaan, maar niet duidelijk is waarop dat oordeel is gestoeld, en Hof ’s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7389, r.o. 4.15.1 (“Tussen de verplichting tot afgifte van een dergelijke “VAR-verklaring” en de vordering van [Y.] bestaat onvoldoende samenhang om een dergelijke opschorting te rechtvaardigen.”).
Artikel 6:52 lid 2 BW bepaalt dat de schuldeiser onder meer in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan handelen wanneer hij nakoming van zijn vordering zou verlangen zonder nakoming van zijn opeisbare verbintenis jegens zijn schuldenaar aan te bieden, als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Deze omstandigheden dienen als een gezichtspunt bij de beoordeling van het samenhangcriterium, maar zij zijn niet van doorslaggevend belang voor deze beoordeling.1 Zij zijn ter verduidelijking van het samenhangcriterium gegeven en enuntiatief.2 Evenwel blijkt uit de rechtspraak dat deze omstandigheden veeleer een indicatie vormen dat aan het samenhangcriterium is voldaan, nu de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt dat in die gevallen aan het samenhangcriterium is voldaan en uit de door mij onderzochte feitenrechtspraak het beeld rijst dat in die omstandigheden doorgaans aan het samenhangcriterium zal zijn voldaan.
Voor wat betreft de vraag of in een geval waarin de in artikel 6:52 lid 2 BW genoemde omstandigheden zich voordoen aan het samenhangcriterium is voldaan, heeft de Hoge Raad meer rechtszekerheid gebracht dan de wetgever. Als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, is de schuldenaar ‘in de regel’ of ‘in beginsel’ bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot nakoming van zijn vordering op zijn schuldeiser, zo blijkt uit de arresten Breda/Antonius en Arel/Van de Stolpe.
In het tot het eerstgenoemde arrest leidende geval heeft Antonius op basis van drie opdrachten voor Breda vier rompen, vijf bochten en zes venturies geproduceerd uit platen staal die zij van Breda had gekregen.In een obiter dictum overwoog de Hoge Raad dat Antonius ‘toch niet van elke zekerheid voor de betaling van de door hem voor zijn werkzaamheden bedongen tegenprestaties zal zijn verstoken, nu hij in de regel de nakoming van zijn verplichting tot aflevering van de produkten, overeenkomstig het bepaalde in art. 6:52 lid 2 NBW, zal kunnen opschorten tot de voldoening van hetgeen hem aan tegenprestaties toekomt, ook ter zake van uit hoofde van eerdere opdrachten reeds vervaardigde en afgeleverde produkten’.3
Niet geheel duidelijk is of de opdrachten tevens afzonderlijke, maar gelijksoortige overeenkomsten zijn of dat zij een en dezelfde rechtsverhouding vormen. Aangenomen wordt wel dat Breda/Antonius een geval betreft waarin de verbintenissen over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.4 Het arrest kan ook begrepen worden als een geval waarin de verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, omdat in cassatie het feitelijk uitgangspunt is dat Antonius in opdracht van Breda de genoemde werkzaamheden verrichtte ‘uit hoofde van een tussen hen bestaande rechtsverhouding’, die de drie opdrachten inhield.5 Het is tevens denkbaar dat de wederzijdse verbintenissen voortvloeiden uit drie afzonderlijke, soortgelijke opdrachten in dezelfde rechtsverhouding.6 Voor de uitleg van de geciteerde overweging maakt het denk ik niet of nauwelijks een verschil of een van de omstandigheden uit artikel 6:52 lid 2 BW zich voordoet of die beide zich voordoen, omdat de Hoge Raad in algemene zin overwoog dat in de regel een opschortingsbevoegdheid bestaat overeenkomstig artikel 6:52 lid 2 BW, zonder te specificeren op welke van de daarin genoemde omstandigheden hij het oog heeft, terwijl die omstandigheden niet cumulatief zijn.7 Daarom denk ik dat uit dit arrest volgt dat in een geval waarin een van deze omstandigheden zich voordoet, het uitgangspunt is dat een opschortingsbevoegdheid bestaat.
Ook in het arrest Arel/Van de Stolpe formuleerde de Hoge Raad een dergelijk uitgangspunt. Opdrachtgever Arel schortte de nakoming van haar verbintenis tot betaling van opdrachtloon aan Van de Stolpe op in verband met haar vordering tot schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie onder die opdracht door Van de Stolpe. De Hoge Raad sauveerde dit opschortingsverweer van Arel en overwoog dat de schadevergoedingsvordering in reconventie ‘in beginsel tevens mee[brengt] dat Arel bevoegd was de voldoening van de daartegenoverstaande, uit dezelfde overeenkomst voortvloeiende vordering in conventie op te schorten’.8 In deze overweging wordt wel gelezen dat de Hoge Raad suggereerde dat in dit geval de enac van toepassing is (‘daartegenoverstaande’), terwijl het in dit geval gaat om een beroep op het algemene opschortingsrecht uit artikel 6:52 BW, omdat Arel aanvullende schadevergoeding vorderde.9 De verplichting tot betaling van opdrachtloon en de schadevergoedingsvordering vonden hun oorsprong in dezelfde overeenkomst van opdracht, die tevens de weerslag was van de rechtsverhouding tussen Arel en Van de Stolpe. Tussen deze wederzijdse verbintenissen bestaat ‘in beginsel’ voldoende samenhang om opschorting van de loonbetalingsverplichting te rechtvaardigen, omdat zij voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. Bij die omstandigheid is het uitgangspunt dat een opschortingsbevoegdheid bestaat.
De in artikel 6:52 lid 2 BW opgenomen omstandigheden zijn enuntiatief.10 Naar de Hoge Raad heeft overwogen, is de aanwezigheid van ‘dezelfde rechtsverhouding’ of van ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ in de regel voldoende voor het bestaan van voldoende samenhang tussen de vordering en verbintenis om opschorting te rechtvaardigen. De aanwezigheid van deze beide omstandigheden is in beginsel eveneens voldoende voor het oordeel dat aan het samenhangcriterium is voldaan. Beslissend zijn die omstandigheden evenwel niet. Overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat toch niet aan het samenhangcriterium is voldaan. Zo hebben de in artikel 6:52 lid 2 BW gecodificeerde omstandigheden in de rechtspraak van de Hoge Raad een meer indicatief karakter gekregen.
Uit de door mij onderzochte feitenrechtspraak rijst het beeld dat doorgaans aan het samenhangcriterium zal zijn voldaan als de verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding,11 uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan12 of wanneer deze omstandigheden zich beide voordoen.13 Van de motivering van het oordeel dat aan het samenhangcriterium is voldaan, kan dan ook een zekere vanzelfsprekendheid uitgaan.14 In een enkel geval is dat oordeel kennelijk zo vanzelfsprekend, dat dit niet of summier wordt gemotiveerd.15 Uit deze feitenrechtspraak ontstaat de indruk dat, bij afwezigheid van overige omstandigheden, aan het samenhangcriterium is voldaan als een van de in artikel 6:52 lid 2 BW geregelde omstandigheden zich voordoet of zij beide zich voordoen. Dat is op zichzelf niet in strijd met de wet, omdat in die gevallen aan het samenhangcriterium kán zijn voldaan. De soms summiere of vanzelfsprekende motivering van een dergelijk oordeel kan aan deze omstandigheden echter ten onrechte het enuntiatieve of meer indicatieve karakter ontnemen. De feitenrechter zou dit karakter in zijn motivering meer kenbaar kunnen en mogen maken door in zijn formulering aan te sluiten bij het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt: aangezien de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan en geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden, bestaat in beginsel voldoende samenhang tussen deze verbintenissen om opschorting te rechtvaardigen.