Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.3.3
2.3.3 Het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233652:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller).
U.S. Supreme Court 16 mei 1921, 256 U.S. 368 (Dillon v. Gloss).
Niet alleen de political question-doctrine speelde een rol, maar ook de vraag of de volksvertegenwoordigers die tegen het ratificeren van het amendement waren standing, oftewel een voldoende belang, hadden. Zie daarover, mede in relatie tot de political questiondoctrine, paragraaf 5.4.2.5 hierna.
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller).
Idem, p. 459 (Black, J., concurring).
Zie ook Tribe 2000, p. 371-372; Rotunda en Nowak 2012, p. 473-476; Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 217-223.
Een ander gebied waarop de political question-doctrine na Marbury v. Madison is toegepast, betreft de procedure voor het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet. In Coleman v. Miller moest het Hof zich uitlaten over een amendement dat voorzag in de mogelijkheid voor het Congres om arbeid door minderjarigen te reguleren. 1Dit amendement wordt ook wel het Child Labor Amendment genoemd en is in 1924 door het Congres voorgesteld, maar nimmer in werking getreden omdat het door te weinig staten is geratificeerd. In Coleman v. Miller ging het in het bijzonder om het ratificeren van het amendement in de staat Kansas. Hoewel het parlement van deze staat het amendement aanvankelijk had verworpen, kwamen sommige volksvertegenwoordigers daar halverwege de jaren dertig op terug.
Het voornemen van sommige volksvertegenwoordigers om alsnog tot ratificatie van het amendement over te gaan, stuitte op grote weerstand onder andere volksvertegenwoordigers. Zij betoogden dat het alsnog ratificeren van het amendement in strijd was met artikel V van de Amerikaanse Grondwet. Daarin is onder meer bepaald dat in beginsel driekwart van de staten met een amendement moet instemmen. In eerdere rechtspraak had het Hof uitgemaakt dat uit artikel V van de Amerikaanse Grondwet volgt dat instemming binnen een redelijke termijn moet geschieden en dat het Congres deze termijn kan vaststellen.2 De tegenstanders van het amendement meenden dat er een zodanig lange periode was verstreken tussen het moment waarop het amendement was voorgesteld en het voornemen om alsnog tot ratificatie daarvan over te gaan, dat het amendement niet langer van kracht was.3
Het Hof ging hier niet in mee. Daarbij herhaalde het zijn eerdere rechtspraak dat het aan het Congres is om een termijn vast te stellen waarbinnen staten een voorgesteld amendement op de Amerikaanse Grondwet moeten ratificeren. Het Hof voegde daar nu aan toe dat er voor de rechter hierbij geen rol is weggelegd, ook niet indien het Congres nalaat om een dergelijke termijn vast te stellen. Chief Justice Hughes schreef:
‘[T]he question of a reasonable time in many cases would involve, as in this case it does involve, an appraisal of a great variety of relevant conditions, political, social, and economic, which can hardly be said to be within the appropriate range of evidence receivable in a court of justice […]. On the other hand, these conditions are appropriate for the consideration of the political departments of the Government. The questions they involve are essentially political, and not justiciable. They can be decided by the Congress with the full knowledge and appreciation ascribed to the national legislature of the political, social, and economic conditions which have prevailed during the period since the submission of the amendment.’4
Hoewel Chief Justice Hughes nog enigszins in het midden liet of er bij de procedure voor het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet nimmer een rol voor de rechter is weggelegd, lieten andere leden van het Hof daarover geen enkel misverstand bestaan:
‘Article V […] grants power over the amending of the Constitution to Congress alone. Undivided control of that process has been given by the Article exclusively and completely to Congress. The process itself is ‘political’ in its entirety, from submission until an amendment becomes part of the Constitution, and is not subject to judicial guidance, control, or interference at any point. Since Congress has sole and complete control over the amending process, subject to no judicial review, the views of any court upon this process cannot be binding upon Congress.’5
De strekking van deze lijn is helder: de rechter dient zich in beginsel niet te mengen in de procedure voor het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet.6
Overigens zou ratificatie door Kansas uiteindelijk geen verschil maken. Zoals gezegd, bepaalt de Amerikaanse Grondwet dat tenminste driekwart van het aantal deelstaten met een grondwettelijk amendement moet instemmen. Ook met Kansas meegerekend, hebben tot op heden te weinig deelstaten het Child Labor Amendment goedgekeurd.