Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.3.1
2.3.1 Buitenlands beleid
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233717:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 1 januari 1839, 38 U.S. 415 (Williams v. Suffolk Insurance Company).
Idem, p. 420.
Idem, p. 421.
U.S. Supreme Court 11 maart 1918, 246 U.S. 297 (Oetjen v. Central Leather Company).
Idem, p. 302. Zie ook U.S. Supreme Court 24 november 1890, 137 U.S. 202 (Jones v. United States).
U.S. Supreme Court 9 maart 1828, 27 U.S. 253 (Foster v. Neilson); U.S. Supreme Court 1 januari 1838, 37 U.S. 511 (Garcia v. Lee).
Idem, p. 305 resp. p. 516. Het Hof zou zich overigens wel uitspreken over een tussen Spanje en de Verenigde Staten gesloten verdrag dat voorzag in de overdracht van gronden. Kennelijk moet dit oordeel zo worden uitgelegd dat de beslissing van de andere staatsmachten om de landsgrenzen te wijzigen door gronden over te dragen een political question is. Die beslissing kan als zodanig niet voor de rechter ter discussie worden gesteld. Het toepassen en uitleggen van een verdrag dat in deze overdracht voorziet, is geen political question. Vgl. in de Nederlandse literatuur Fleuren 2004b, p. 46-49.
U.S. Supreme Court 24 januari 1902, 184 U.S. 270 (Terlinden v. Ames).
Idem, p. 288. Zie in dezelfde zin U.S. Supreme Court 9 juni 1947, 331 U.S. 503 (Clark v. Allen).
U.S. Supreme Court 9 februari 1948, 333 U.S. 103 (Chicago & Southern Air Lines, Inc. v. Waterman).
Idem, p. 111.
U.S. Supreme Court 2 februari 1827, 25 U.S. 19 (Martin v. Mott).
Idem, p. 30.
De political question-doctrine is na Marbury v. Madison onder meer toegepast in zaken over het buitenlands beleid. Concreet gaat het dan om beslissingen van de andere staatsmachten die dit beleid nader vormgeven. Een eerste voorbeeld daarvan zijn beslissingen over de soevereiniteit van andere landen over bepaald grondgebied. Een ter illustratie hiervan vaak genoemde zaak is Williams v. Suffolk Insurance Company.1 Deze zaak ging om een geschil tussen een verzekeraar en een eigenaar van een schip dat in beslag was genomen nadat het de wateren rond de Falklandeilanden was binnengevaren. Daarbij had de kapitein van het schip een waarschuwing van de autoriteiten van de Argentijnse provincie Buenos Aires genegeerd. De autoriteiten van deze provincie claimden de soevereiniteit over de Falklandeilanden.
Voor het antwoord op de vraag of de verzekeraar gehouden was om de waarde van het schip te vergoeden, was van belang of de kapitein van het schip de waarschuwing van de autoriteiten van Buenos Aires had mogen negeren en daarmee wie de soevereiniteit over de Falklandeilanden toekwam. Het Hof meende dat het oordeel hierover aan de regering is voorbehouden:
‘[C]an there be any doubt, that when the executive branch of the government, which is charged with our foreign relations, shall in its correspondence with a foreign nation assume a fact in regard to the sovereignty of any island or country, it is conclusive on the judicial department? And in this view, it is not material to inquire, nor is it the province of the Court to determine, whether the executive be right or wrong.’2
Het Hof stelde vast dat de Amerikaanse regering had geweigerd de soevereiniteit van Buenos Aires over de Falklandeilanden te erkennen. Volgens het Hof had de rechter van die beslissing uit te gaan. Concreet betekende dit dat de kapitein van het betrokken schip de waarschuwing van de autoriteiten van Buenos Aires had mogen negeren, nu zij niet konden worden geacht het legitieme gezag over de eilanden uit te oefenen.3
Ook in latere zaken heeft het Hof geoordeeld dat de erkenning van de soevereiniteit van buitenlandse mogendheden een political question is. Een voorbeeld van een in dit verband vaak genoemde andere zaak is Oetjen v. Central Leather Company over de ontneming van eigendom tijdens de Mexicaanse Revolutie door een groepering die later de soevereiniteit over Mexico zou claimen.4 Omdat de regering deze groepering als het bevoegd gezag van Mexico had erkend, had ook het Hof daarvan uit te gaan. In het verlengde daarvan moest de ontneming van eigendom worden geacht in opdracht van het bevoegd gezag te zijn geschied. Opvallend is dat het Hof de erkenning van de soevereiniteit van een buitenlandse mogendheid in dit geval uitdrukkelijk als een ‘political question’ aanduidde:
‘Who is the sovereign [...] of a territory is not a judicial, but is a political question, the determination of which by the legislative and executive departments of any government conclusively binds the judges [...].’5
Een ander voorbeeld van een political question hangt hiermee samen en betreft de vaststelling van landsgrenzen. Ter illustratie kan worden gewezen op de zaken Foster v. Neilson en Garcia v. Lee.6 Daarin werd het Hof gevraagd zich uit te laten over gronden die in een ver verleden in handen waren geweest van Spanje en later aan de Verenigde Staten waren verkocht. De vraag was of de eigendom van bepaalde gronden mee was overgegaan. Dit was van belang voor het vaststellen van de landsgrenzen. Het Hof maakte duidelijk dat beslissingen over landsgrenzen ook als een political question hebben te gelden:
‘A question like this respecting the boundaries of nations is [...] more a political than a legal question, and, in its discussion, the courts of every country must respect the pronounced will of the Legislature.’7
Ook de werking en geldigheid van verdragen heeft het Hof in het verleden als een political question aangemerkt. In Terlinden v. Ames vocht een verdachte op Amerikaans grondgebied zijn voorgenomen uitlevering aan Duitsland aan met als argument dat het verdrag dat zijn uitlevering mogelijk maakte als gevolg van politieke veranderingen niet langer van kracht was. 8Concreet doelde hij op de totstandkoming van het Duitse Rijk. Het verdrag in kwestie was gesloten met Pruisen, dat in het Duitse Rijk was opgegaan. Of het verdrag daarmee zijn werking had verloren, was volgens het Hof geen vraag voor de rechter, maar een voor de andere staatsmachten:
‘We concur in the view that the question whether power remains in a foreign state to carry out its treaty obligations is in its nature political, and not judicial, and that the courts ought not to interfere with the conclusions of the political department in that regard.’9
Een vaak genoemde andere zaak is Chicago & Southern Air Lines, Inc. v. Waterman.10 Daarin ging het om het verlenen van toestemming om vliegroutes te gebruiken voor internationaal vervoer. Daarvoor was goedkeuring van de President vereist. In deze zaak had de President aan een luchtvaartmaatschappij toestemming verleend om een vliegroute te gebruiken ten koste van een andere luchtvaartmaatschappij. Het Hof oordeelde dat de beslissing van de President over het verlenen van goedkeuring een political question was. Daartoe wees het in het bijzonder op de aard van beslissingen op het gebied van het buitenlands beleid:
‘The President, both as Commander-in-Chief and as the Nation's organ for foreign affairs, has available intelligence services whose reports neither are nor ought to be published to the world. It would be intolerable that courts, without the relevant information, should review and perhaps nullify actions of the Executive taken on information properly held secret. Nor can courts sit in camera in order to be taken into executive confidences. But even if courts could require full disclosure, the very nature of executive decisions as to foreign policy is political, not judicial. Such decisions are wholly confided by our Constitution to the political departments of the government, Executive and Legislative. They are delicate, complex, and involve large elements of prophecy. They are and should be undertaken only by those directly responsible to the people whose welfare they advance or imperil. They are decisions of a kind for which the Judiciary has neither aptitude, facilities, nor responsibility, and have long been held to belong in the domain of political power not subject to judicial intrusion or inquiry.’11
De wijze waarop deze overweging is geformuleerd, suggereert dat vele andere beslissingen op het gebied van het buitenlands beleid als een political question hebben te gelden, en daarmee aan rechterlijk toezicht zijn onttrokken.
Ook de in dit verband vaak genoemde zaak Martin v. Mott past in deze lijn.12 Daarin werd het Hof gevraagd zich uit te spreken over de weigering van de heer Mott om aan de militaire dienstplicht te voldoen, nadat hij daartoe op verzoek van President Madison – die Thomas Jefferson inmiddels had opgevolgd als President – was opgeroepen. Concreet was de President bevoegd om burgers voor de militaire dienstplicht op te roepen bij een dreigende invasie. Het uitbreken van een gewapend conflict met het Verenigd Koninkrijk in 1812 leverde volgens President Madison een dergelijk gevaar op. Mott bestreed dat. Volgens hem was dit conflict onvoldoende aanleiding om hem op te roepen.
Het Hof was niet gevoelig voor dit betoog en overwoog dat de President op dit gebied grote discretie heeft. De beslissing van de President om burgers voor de militaire dienstplicht op te roepen had volgens het Hof daarom ook als een political question te gelden:
‘Is the President the sole and exclusive judge whether the exigency has arisen, or is it to be considered as an open question, upon which every officer to whom the orders of the President are addressed, may decide for himself, and equally open to be contested by every militiaman who shall refuse to obey the orders of the President? We are all of opinion that the authority to decide whether the exigency has arisen belongs exclusively to the President, and that his decision is conclusive upon all other persons.’13