Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.3.2
2.3.2 Guarantee Clause
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233718:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel IV, § 4, van de Amerikaanse Grondwet.
U.S. Supreme Court 3 januari 1849, 48 U.S. 1 (Luther v. Borden).
Idem, p. 42.
Vgl. Williams 2018, p. 604-606, met verdere verwijzingen.
U.S. Supreme Court 19 februari 1912, 223 U.S. 118 (Pacific States Telephone and Telegraph Company v. Oregon).
Idem, p. 151.
Williams 2008, p. 980: ‘As a practical matter, the U.S. Supreme Court’s refusal to adjudicate the constitutionality of direct democracy opened the door to the adoption and use of direct democracy throughout the nation.’
Een ander terrein waarop de political question-doctrine is toegepast, betreft de vormgeving van het openbaar bestuur van deelstaten. Na Marbury v. Madison is het Hof geconfronteerd met geschillen waarin werd gevraagd om een oordeel over de verenigbaarheid van de wijze waarop het openbaar bestuur in de deelstaten is ingericht met de Amerikaanse Grondwet, meer in het bijzonder met de zogenoemde Guarantee Clause. Deze bepaling luidt:
‘The United States shall guarantee to every State in this Union a Republican Form of Government.’1
Het belangrijkste voorbeeld van een zaak hierover is Luther v. Borden.2 Daarin werd het Hof gevraagd of de inrichting van het openbaar bestuur in Rhodes Island verenigbaar was met de Guarantee Clause. De aanleiding hiervoor was gelegen in de arrestatie van de heer Luther en het daaraan voorafgaand zonder toestemming betreden van zijn woning door de heer Borden in opdracht van het toenmalige bestuur van de staat Rhodes Island. Luther behoorde tot een groepering die zich tegen het bestaande bestuur verzette en streed voor een nieuw bestuur. Hij meende dat de wijze waarop het openbaar bestuur in Rhodes Island was vormgegeven onverenigbaar was met de Guarantee Clause omdat het kiesrecht in deze deelstaat was voorbehouden aan een beperkte groep burgers. Het bestaande bestuur had volgens Luther dan ook geen opdracht kunnen geven tot zijn arrestatie en het betreden van zijn woning.
Het Hof ging hier niet in mee en concludeerde dat ook hier sprake was van een political question. Volgens het Hof is de vaststelling wie het bevoegd gezag in een staat uitoefent en of de inrichting van een staat aan de Guarantee Clause voldoet voorbehouden aan het Congres. Concreet geschiedt de erkenning van het bevoegd gezag van een staat door de toelating van afgevaardigden die onder toezicht van dat gezag zijn gekozen. Volgens het Hof impliceert deze erkenning dat de inrichting van een deelstaat ook aan de Guarantee Clause voldoet:
‘For as the United States guarantee to each State a republican government, Congress must necessarily decide what government is established in the State before it can determine whether it is republican or not. And when the senators and representatives of a State are admitted into the councils of the Union, the authority of the government under which they are appointed, as well as its republican character, is recognized by the proper constitutional authority. And its decision is binding on every other department of the government, and could not be questioned in a judicial tribunal.’3
Het Hof stelde vast dat er onder toezicht van het nieuwe bestuur nog geen afgevaardigden tot het Congres waren toegelaten ter vervanging van de eerder, onder toezicht van het bestaande bestuur, toegelaten afgevaardigden. Daarom kon volgens het Hof niet worden geoordeeld dat het bestaande bestuur in strijd met de Guarantee Clause het bevoegd gezag in Rhodes Island uitoefende en onbevoegd was om de arrestatie van Luther te bevelen.
Sinds Luther v. Borden wordt aangenomen dat geschillen over de Guarantee Clause als een political question hebben te gelden.4 Het Hof heeft dit ook in latere zaken duidelijk gemaakt. Ter illustratie kan worden gewezen op de zaak Pacific States Telephone and Telegraph Company v. Oregon.5 Net als in Luther v. Borden werd het Hof daarin gevraagd te beoordelen of de inrichting van het openbaar bestuur van een deelstaat in overeenstemming was met de Guarantee Clause. De aanleiding hiervoor was gelegen in een belasting die van telefoonbedrijven in Oregon werd geheven. Een van deze bedrijven bestreed deze belasting en betoogde dat de inrichting van deze staat in strijd was met de Guarantee Clause. Meer in het bijzonder was deze strijdigheid volgens het bedrijf gelegen in de mogelijkheid om wetgeving op initiatief van burgers of via referenda aan te laten nemen. De wetgeving op basis waarvan de betrokken belasting werd geheven, was op initiatief van burgers aangenomen. Volgens het bedrijf was dit in strijd met de Guarantee Clause.
Net als in Luther v. Borden was het Hof niet bereid om zich hierover inhoudelijk uit te laten. Het antwoord op de vraag of de inrichting van het openbaar bestuur van een deelstaat aan de Guarantee Clause voldoet, is volgens het Hof voorbehouden aan het Congres:
‘[T]he issues presented, in their very essence, are, and have long since by this Court been, definitely determined to be political and governmental, and embraced within the scope of the powers conferred upon Congress, and [therefore] not within the reach of judicial power […].’6
Aangenomen wordt dat het Hof met dit oordeel de weg opende voor invoering van directe vormen van democratie, zoals referenda.7