Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.2
7.2 Passende arbeid in het algemeen
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258844:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Andringa, Bandringa & Vos, De Werkloosheidsuitkering na de stelselherziening 1987, p. 102.
Pieters, Aan het werk 1986, p. 37.
Put & Charlens, Passende arbeid & behoorlijk ontslag 2007. Het Belgisch Genootschap voor arbeids- en socialezekerheidsrecht heeft in dit boek de resultaten van een onderzoek over passende arbeid in het socialezekerheidsrecht en de algemene beginselen van wat een behoorlijk ontslag is in het arbeidsrecht opgenomen. Het boek bevat preadviezen en reacties hierop in het Nederlands en Frans, besproken tijdens een symposium, gehouden op 9 september 2005 te Brussel.
Put & Charlens, Passende arbeid & behoorlijk ontslag 2007, p. 29, 31.
SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995, p. 7. In dit advies ging het er vooral om dat door het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici 1996 verdringing kon optreden op de arbeidsmarkt.
Andringa, Bandringa & Vos, De Werkloosheidsuitkering na de stelselherziening 1987, p. 104.
Achter het uitgangspunt dat een werkloze passende arbeid moet aanvaarden, ligt de gedachte dat een uitkeringsgerechtigde niet passief kan blijven vóór het intreden van de werkloosheid of tijdens het ontvangen van een WW-uitkering. Vanaf het moment dat de werknemer met zekerheid weet dat de huidige baan tot werkloosheid zal leiden door bijvoorbeeld ontslag of het aflopen van de arbeidsovereenkomst en hij een uitkering wil ontvangen, heeft hij de plicht om naar vermogen werk te vinden en passende arbeid te aanvaarden. Vanaf de jaren 80 was er een discussie omtrent de invulling van het begrip passende arbeid, en een flink aantal beschouwingen over (de invulling van) passende arbeid, die hierna worden besproken, komt uit die periode. De literatuur uit die periode geeft verschillende definities van het begrip passende arbeid. Andringa e.a. vinden bijvoorbeeld dat de individuele burger de verplichting heeft al het redelijke te doen om zich sociale zekerheid te verschaffen en om in zijn behoeften te voorzien. Op grond van die verplichting wordt aanvaard dat er beperkingen kunnen worden gesteld aan de keuzevrijheid van de uitkeringsgerechtigde bij het zoeken naar en aanvaarden van werk. De ideale situatie, werk overeenkomstig iemands aanleg, opleiding en eventueel arbeidsverleden, dat goed wordt betaald, om de hoek van de straat te vinden en binnen een aangenaam werkklimaat wordt verricht, is volgens Andringa e.a. voor slechts weinigen weggelegd. Een werknemer die dergelijke hoge eisen stelt of blijft stellen, zal spoedig te maken krijgen met een sanctie op zijn uitkering. Anderzijds kan in redelijkheid niet verwacht worden dat elk soort werk moet worden geaccepteerd. Wat de uitkeringsgerechtigde een passende baan vindt, kan afwijken van wat een passende baan voor het uitvoeringsorgaan is. De maatschappelijke en politieke opvattingen bepalen de grenzen tussen die twee opvattingen over een passende baan.1
Pieters omschrijft passende arbeid als de arbeid die men moet behouden als men hem heeft en moet aanvatten als men geen werk heeft, wil men kunnen rekenen op de (financiële) solidariteit van de gemeenschap of van de groep waarvan men deel uitmaakt.2 Het gaat dus om de grens tot waar de arbeidskeuzevrijheid van de werknemer of de werkloze reikt, wil deze zich geborgen weten in het socialezekerheidsstelsel.
De Weerdt en Put vinden in het preadvies3 ‘Passende arbeid in de werkloosheidsverzekering’ dat een werkloze geen werkloosheidsuitkering kan krijgen wanneer zijn werkloosheid het gevolg is van het verlaten van een passende dienstbetrekking, en hij kan de werkloosheidsuitkering slechts behouden indien hij niet weigert een passende dienstbetrekking te aanvaarden. De invulling van het begrip heeft invloed op de handelingsvrijheid van werknemers en werklozen, want afhankelijk van de invulling van het begrip wordt de vrijheid voor het aanvaarden van en zoeken naar werk beperkt of verruimd.4
De verplichtingen van de werkloze werknemer zijn mijns inziens onderdeel van het verzekeringskarakter van de WW. De uitkeringsgerechtigde moet zo veel mogelijk het verzekerde risico, te weten werkloosheid, voorkomen of beperken, door werk te aanvaarden dat als passend wordt beschouwd door de uitvoeringsorganen. In ruil daarvoor wordt aan de burger voor een periode sociale zekerheid verschaft door de gemeenschap.
Werklozen dwingen om passende arbeid te aanvaarden heeft ook nadelen zoals afbreuk aan de productiviteit, verveling en ‘sabotage’. De discussie omtrent passende arbeid hangt ook samen met het daaraan gekoppelde probleem van verdringing van bepaalde (kwetsbare) groepen op de arbeidsmarkt. Als bij passende arbeid eerder arbeid op een lager niveau moet worden geaccepteerd dan kan dit tot verdringing leiden van de werkzoekenden op dat niveau van de arbeidsmarkt. Vooral de kwetsbare groepen op dat niveau, vaak toch vrouwen en allochtonen, worden dan zwaarder getroffen door verruiming van de criteria van passende arbeid.5 Ook kapitaalvernietiging op de arbeidsmarkt is een nadeel van verruiming van het begrip passende arbeid. Het accepteren van arbeid op een lager niveau kan leiden tot minder kansen op de arbeidsmarkt op het gewenste niveau. De vraag is immers waarom de werkgever iemand zou willen aannemen die een periode op een lager niveau heeft gewerkt. De werkgever kan dan vraagtekens bij de capaciteiten van de betreffende werknemer zetten, terwijl de baan op dat lagere niveau nu juist is geaccepteerd om aan de vereisten van passende arbeid in de WW te voldoen. Andringa e.a. menen dan ook mijns inziens terecht dat aanvaarding van arbeid niet mag betekenen dat de kansen op de arbeidsmarkt van de werknemer op de terreinen waar zijn krachten en bekwaamheden liggen onaanvaardbaar worden verminderd.6
De uitvoeringspraktijk en de maatschappelijke en economische situatie zijn daarnaast erg belangrijk bij de toepassing van het begrip. Als de arbeidsmarkt ruim is (veel werkzoekenden, weinig vacatures) en/of er een tekort is aan tijd, mensen en middelen om werkzoekenden te begeleiden, dan heeft het weinig zin om het begrip ‘passende arbeid’ te verruimen.
De Weerdt en Put gaan in het preadvies dieper in op de door Van Langendonck geanalyseerde manieren om passende arbeid nader in te vullen Er worden door Van Langendonck vijf manieren beschreven waarmee bepaald kan worden hoe en door wie het begrip passende arbeid moet worden ingevuld. Elk van deze manieren heeft zijn voor- en nadelen die hiernavolgend kort worden beschreven, waarna ik zal bespreken hoe en door wie het begrip in de WW nader wordt ingevuld. Door de analyse van deze manieren kan ook beter begrepen worden wat voor invloed de wijziging van het begrip passende arbeid in het Nederlands systeem heeft gehad.
7.2.1 Invulling door een gedetailleerde wettelijke bepaling7.2.2 Interpretatie door uitvoeringsorganen7.2.3 Vastlegging door een overlegorgaan (sociale partners)7.2.4 Beoordeling door de openbare arbeidsvoorziening7.2.5 Interpretatie door de rechter