Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.4.2.5
5.4.2.5 Standing en geschillen op initiatief van politici
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233608:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 26 juni 1997, 521 U.S. 811 (Raines v. Byrd), 820.
Vgl. Tribe 2000, p. 461-463.
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller).
Idem, p. 446.
U.S. Supreme Court 26 juni 1997, 521 U.S. 811 (Raines v. Byrd).
Idem, p. 824: ‘[Appellants] have not alleged that they voted for a specific bill, that there were sufficient votes to pass the bill, and that the bill was nonetheless deemed defeated. In the vote on the Act, their votes were given full effect. They simply lost that vote.’
U.S. Supreme Court 17 juni 2019, 139 S.Ct. 1945 (Virginia House of Delegates v. Benthune-Hill).
De reikwijdte van dit oordeel is overigens nog onderwerp van discussie. Zie daarover bijv. Harvard Law Review 2019a, p. 251: ‘Questions have quickly arisen as to how broadly Bethune-Hill's holding should be applied and whether it can be extended to congressional standing.’ Vgl. ook U.S. Supreme Court 29 juni 2015, 135 S.Ct. 2652 (Arizona State Legislature v. Arizona Independent Redistricting Commission).
Bijzondere aandacht verdient hier ten slotte de rechtspraak van het Hooggerechtshof over standing bij geschillen op initiatief van volksvertegenwoordigers. Vaak wordt in dit verband gesproken over ‘legislative standing’.1 Zoals gezegd, is voor het aannemen van standing een persoonlijk en individualiseerbaar nadeel vereist. Vooral bij volksvertegenwoordigers is niet snel aan dit vereiste voldaan. Daaraan lijkt mede de gedachte ten grondslag te liggen dat zij eerst en vooral via de gebruikelijke politieke kanalen voor hun standpunten moeten opkomen en niet via de rechter.2
Het vertrekpunt hierbij vormt de eerder besproken zaak Coleman v. Miller uit 1939.3 Deze zaak gaat over het voornemen van de wetgever van Kansas om alsnog tot ratificatie van het Child Labor Amendment op de Amerikaanse Grondwet over te gaan. Alvorens duidelijk te maken dat de procedure voor het aannemen van een grondwetswijziging een political question is, ging het Hof in op de vraag of eisers standing hadden. Concreet was deze zaak aanhangig gemaakt door enkele senatoren uit Kansas die tegen ratificatie van het amendement hadden gestemd. De senatoren betoogden dat de Senaat uitsluitend met de ratificatie had ingestemd als gevolg van een zogenoemde tie-breaking vote van de voorzitter. Zonder deze tie-breaking vote zou de ratificatie zijn afgewezen. Omdat de stem van de senatoren aldus doorslaggevend zou zijn geweest, concludeerde het Hof dat de senatoren standing hadden.4
In latere rechtspraak heeft het Hof dit oordeel echter strikt uitgelegd. Ter illustratie kan worden gewezen op de zaak Raines v. Byrd.5 Daarin kwamen leden van de federale Senaat en het Huis van Afgevaardigden op tegen wetgeving die de President onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid gaf om door het Congres goedgekeurde uitgaven te annuleren. Volgens de volksvertegenwoordigers was deze wet ongrondwettig.
Het Hof oordeelde dat het in dit geval aan standing ontbrak. Daardoor kwam het niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Bepalend daarvoor achtte het Hof dat niet was gebleken dat de stem van deze volksvertegenwoordigers enig verschil had gemaakt. Ook zonder hun stem zou de betrokken wet zijn aangenomen. De volksvertegenwoordigers hadden de stemming over de bestreden wet eenvoudigweg verloren.6 Volgens het Hof was daarom niet sprake van een concreet en individualiseerbaar nadeel.
De recente zaak Virginia House of Delegates v. Benthune-Hill bevestigt deze strikte benadering van het Hof.7 Daarin kwamen enkele leden en de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden van de staat Virginia op tegen het oordeel van de lagere rechter dat bepaalde kiesdistricten in de staat blijk gaven van racial gerrymandering en daarom opnieuw moesten worden vastgesteld. Het Hof concludeerde dat de individuele volksvertegenwoordigers geen standing hadden omdat niet was gebleken van een concreet en individualiseerbaar nadeel. De vormgeving van kiesdistricten raakt de statelijke wetgever als geheel, dat wil zeggen het Huis van Afgevaardigden en de Senaat van de staat Virginia gezamenlijk. Volksvertegenwoordigers kunnen daar niet individueel tegen opkomen.8