Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.6
6.6 Differentiatie binnen titel 3.7 BW
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346791:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Mourik 2012, p. 40; Van Mourik & Schols 2015, nr. 66.
Vergelijk: Asser/Scholten 1927, p. 145; Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 567; Pitlo 1957, p. 292; Kleijn 1969, p. 130. Zie ook: Van Mourik & Schols 2015, nr. 66; Van Mourik 2018, p. 315. Onder oud recht wordt hetgeen thans als eenvoudige gemeenschap heeft te gelden wel aangeduid als vrije mede-eigendom. Vrije mede-eigendom moet worden onderscheiden van de zogenaamde gebonden mede-eigendom, zoals een onverdeelde nalatenschap.
Kleijn 1969, p. 98, 112.
Kleijn 1969, p. 98.
Kleijn 1969, p. 98.
Van Mourik & Schols 2015, nr. 66. Zie ook: Van Mourik 2012, p. 40-41; Van Mourik 2018, p. 315-316, 318-319. Zie tevens HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, NJ 2013, 490 m.nt. S. Perrick, alwaar de Hoge Raad in r.o. 3.5 in het kader van de verdeling van een eenvoudige gemeenschap overweegt dat er sprake is van het bij verdeling gehouden zijn tot overdracht van een aandeel in de gemeenschap. Annotator Perrick in zijn noot onder 4 beschouwt het gebruik van de begrippen ‘overdracht’ en ‘aandeel’ in dit kader als een dubbele ‘slip of the pen’. Noch de Hoge Raad noch Perrick gaat overigens in op het relateren van de gebezigde terminologie aan de verdeling van een eenvoudige gemeenschap.
Van Mourik 2012, p. 40-41; Van Mourik & Schols 2015, nr. 66.
Van Mourik & Schols 2015, nr. 66. Van Mourik stelt een herziening van de wet voor, zie Van Mourik 2018, p. 319.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 167 naar aanleiding van de verdeling van een eenvoudige gemeenschap in het voormelde arrest HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746.
Uit de wet moet worden afgeleid dat het bepaalde in de artikelen 3:182 en 3:186 BW betrekking heeft op alle soorten gemeenschappen. Dit houdt in dat zowel de eenvoudige als de bijzondere gemeenschappen mede overeenkomstig het bepaalde in deze artikelen dienen te worden verdeeld. De bijzondere gemeenschappen zoals de nalatenschap, de ontbonden huwelijksgemeenschap en de ontbonden vennootschappelijke gemeenschap laten zich echter onderscheiden van de eenvoudige gemeenschappen. De eerstbedoelde gemeenschappen kennen vanaf de aanvang een zogenaamd ‘overgangskarakter’.1 Dit ligt anders bij de eenvoudige gemeenschappen. Deze gemeenschappen worden gekenmerkt door het vanaf de totstandkoming daarvan beogen van een gemeenschap voor kortere of langere duur. In dit kader dient de vraag te worden gesteld of voor eenvoudige gemeenschappen een voor de verdeling daarvan afwijkende regeling geldt ten opzichte van de bijzondere gemeenschappen.
Reeds onder oud recht wordt verdedigd dat de scheiding van eenvoudige gemeenschappen een translatief karakter heeft en geen terugwerkende kracht kent.2 Bij een translatieve scheiding is er sprake van overdracht van aandelen, terwijl het rechtsgevolg van scheiding intreedt vanaf de scheiding en niet vanaf het moment van het ontstaan van de onverdeeldheid.3 Dit laatste houdt mede verband met de mogelijkheid voor een deelgenoot om over een aandeel in een (afzonderlijke zaak van de) zaaksgemeenschap bijna vrijelijk te kunnen beschikken.4 Hierin onderscheidt de zaaksgemeenschap zich van de boedelgemeenschap. Bij de boedelgemeenschap staat het aandeel niet ter vrije beschikking aan de deelgenoot.5
Het in dezen onder oud recht gemaakte onderscheid kan ook naar huidig recht op sympathie rekenen.6 Zo zijn Van Mourik en (F.) Schols van mening dat bij eenvoudige gemeenschappen een translatieve benadering passender is, omdat de voor onverdeelde nalatenschappen en de ontbonden gemeenschappen kenmerkende overgangstoestand zich bij eenvoudige gemeenschappen niet voordoet.7 Hiervan uitgaande zou het bepaalde in art. 3:177 lid 1 BW aan de verdeling van eenvoudige gemeenschappen kunnen worden onthouden, evenals het bepaalde in art. 3:186 BW; het beschikken over een goed gedurende de onverdeeldheid zou kunnen worden gerespecteerd ongeacht de latere verkrijging door enige deelgenoot en in het kader van de levering kan worden volstaan met de levering van het voorwerp van beschikking – het aandeel in het goed – terwijl het verkregene wordt gehouden onder dezelfde titel als waaronder wordt verkregen.
Het rechtens aannemen van een dergelijke differentiatie wordt echter bemoeilijkt doordat noch de wet noch de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten geeft voor een dergelijk onderscheid. Om deze reden moet worden geconcludeerd dat het hierboven bedoelde onderscheid tussen eenvoudige en bijzondere gemeenschappen – hoezeer van een deugdelijke motivering te voorzien – een wettelijke grondslag ontbeert en derhalve niet kan worden aangenomen. Ook Van Mourik en (F.) Schols zijn overigens van opvatting dat de huidige wet voor dit onderscheid geen ruimte biedt.8 Dit laatste geldt tevens voor Perrick.9