Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.3
7.3.3 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser wiens vordering is betwist
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446090:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt wel verdedigd, dat de verwijzing in art. 166 Fw naar de bepalingen aangaande de faillissementsaanvraag slechts van procedurele aard is. In deze zin Wessels, Insolventierecht VIII, par. 8434 en De Ruuk, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 280, aant. 1. Laatstgenoemde komt een aantekening verder overigens tot de conclusie dat bij de beoordeling van het verzoek wel voldaan moet zijn aan het criterium van art. 6 lid 3 Fw, dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.
HR 6 januari 1951, NJ 1953, 7 en HR 22 augustus 1997, NJ 1997, 664.
Vgl. Willems, 2008 (T&C Insolventierecht), art. 6 Fw, aant. 4 en HR 22 augustus 1997, NJ 1997, 664.
Zie o.m. HR 22 maart 1985, NJ 1985, 548; HR 22 juli 1988, NJ 1988, 912; HR 24 juli 1995, NJ 1995, 733 en HR 18 januari 2002, NJ 2002,146.
Vgl. HR 7 september 2001, NJ 2001, 550 en HR 18 januari 2002, NJ 2002,146.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 164.
Hoe dient de rechtbank te oordelen indien een schuldeiser wiens vordering is betwist, geen nakoming vordert, maar ontbinding van het akkoord? Voor een verzoek tot ontbinding van een akkoord is - anders dan in geval van een vordering tot nakoming - geen executoriale titel vereist. Als een verzoek tot ontbinding wordt ingediend door een schuldeiser wiens vordering in het faillissement als een betwiste vordering is aangemerkt, is het bestaan van die vordering nog niet in rechte vastgesteld, zodat onderzoek hiernaar alsnog dient plaats te vinden. Hoe verloopt dat onderzoek in het kader van een verzoek tot ontbinding van een akkoord? Het systeem van de wet is als volgt. De wet schrijft in art. 166 Fw voor dat een verzoek tot ontbinding van een akkoord op dezelfde wijze wordt aangebracht en beslist zoals ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6-9 en 12 Fw is voorgeschreven. Uit art. 165 jo. art. 166 jo. art. 6 lid 3 Fw volgt dat een verzoek tot ontbinding van een akkoord in feite neerkomt op het aanvragen van faillissement. Art. 6 lid 3 Fw luidt immers als volgt:
"De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen."
De verwijzing in art. 166 Fw naar onder meer art. 6 lid 3 Fw, waardoor een verzoek tot ontbinding per saldo moet worden beoordeeld als een verzoek tot faillietverklaring, heeft te maken met het gevolg dat de wet verbindt aan een toewijzing van een verzoek tot ontbinding. Het rechtsgevolg van toewijzing is immers dat het faillissement van de schuldenaar wordt heropend. Ingevolge art. 167 Fw is de rechter bij toewijzing van een verzoek tot ontbinding gehouden heropening van het faillissement te bevelen. Vandaar dat voor het kunnen toewijzen van het verzoek onderzocht dient te worden of per saldo sprake is van een faillissementssituatie. In dit licht dient de verwijzing in art. 166 Fw naar de artt. 4, 6-9 en 12 Fw dan ook te worden bezien.
Het ontbindingsverzoek van de schuldeiser wiens vordering in het faillissement is betwist, dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 6 lid 3 Fw. Dit betekent dat het verzoek tot ontbinding slechts kan worden toegewezen, indien voldaan is aan twee vereisten: (1) de schuldenaar moet in de toestand verkeren dat hij heeft opgehouden te betalen en (2) het bestaan van het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser moet summierlijk blijken.1 Wat betekenen de twee vereisten van art. 6 lid 3 Fw voor de rechter die het verzoek van een schuldeiser van een betwiste vordering moet beoordelen? In deze situatie is de rechter bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek in de eerste plaats gehouden zelfstandig te onderzoeken of summierlijk blijkt van het bestaan van de vordering. Dit onderzoek door de rechter naar het 'summierlijk blijken van het bestaan van de vordering' is noodzakelijk, nu de vordering in het faillissement is aangemerkt als een betwiste vordering.2 Het bestaan van de vordering van de verzoekende schuldeiser is derhalve voorwaarde voor het kunnen toewijzen van het verzoek. Uit de bewoordingen 'summierlijk blijken van het bestaan van de vordering' kan worden opgemaakt, dat de rechter niet is gehouden een uitgebreid onderzoek (de regels van het bewijsrecht zijn hier niet van toepassing) te doen naar het bestaan van de vordering, maar dat een kort, eenvoudig onderzoek naar het bestaan van de vordering volstaat.3Is de rechter na onderzoek van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van de vordering, dan dient hij het verzoek van de schuldeiser tot ontbinding van het akkoord af te wijzen. In deze situatie komt de rechter derhalve niet toe aan het tweede vereiste van art. 6 lid 3 Fw.
Indien de rechter daarentegen heeft vastgesteld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van de vordering, dan zal de rechter vervolgens moeten nagaan of de schuldenaar verkeert in de 'toestand van te hebben opgehouden te betalen'. Volgens vaste jurisprudentie is voor het aannemen van voornoemde toestand in ieder geval vereist dat sprake is van een pluraliteit van schuldeisers, dit wil zeggen dat de schuldenaar ook schulden heeft aan een of meer andere schuldeisers.4 Van deze vorderingen dient er in ieder geval één opeisbaar te zijn, hetzij de vordering van de verzoekende schuldeiser hetzij een van de andere vorderingen. Naast het vereiste dat de schuldenaar meerdere schuldeisers dient te hebben, zal voorts ook nog moeten blijken dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.5 Laatstgenoemde vereiste roept de vraag op of daaraan onverkort moet worden vastgehouden, indien de schuldenaar het akkoord is nagekomen op deze ene verzoekende schuldeiser na. Zou in deze situatie een uitzondering op het pluraliteitsvereiste mogen worden aangenomen? Indien de schuldenaar nadat het faillissement is beëindigd (art. 161 Fw) nadien geen schulden onbetaald heeft gelaten, zou art. 6 lid 3 Fw in deze situatie een onoverkomelijke hindernis vormen voor het uitspreken van het faillissement en daarmee voor het ontbinden van het akkoord. Valt het voorgaande te rijmen met de bedoelingen van de wetgever op dit punt? Deze heeft immers uitdrukkelijk aangegeven dat elke schuldeiser jegens wie de schuldenaar het akkoord niet nakomt, ontbinding van het akkoord kan vorderen.6 Bovendien is aan alle overige vereisten voor toewijzing van het verzoek tot ontbinding voldaan. Hier kan echter tegen in worden gebracht dat één onvoldaan gebleven schuldeiser het faillissement van de schuldenaar zou kunnen veroorzaken, terwijl formeel niet is voldaan aan art. 6 lid 3 Fw. Voor beide standpunten is wat te zeggen. Ik ben gezien de strekking van art. 165 lid 1 Fw geneigd een uitzondering op het pluraliteitsvereiste aan te nemen. Indien de rechter het pluraliteitsvereiste uitzondert, heeft hij ambtshalve na te gaan of de tekortkoming jegens deze ene schuldeiser de ontbinding van het akkoord met al haar gevolgen rechtvaardigt, althans of een ontbinding in een dergelijke situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.