Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.4.2
8.4.2 Een recht zonder werking
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396143:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verstijlen 2007, p. 826 en Rongen 2014, p. 313. Anders: Kok 2015, p. 689.
Rongen 2014, p. 305 en p. 313. Vgl. ook Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 568. Anders: N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann in punt 8 van hun noot onder HR 3 juni 2016, JOR 2016, 287 (Rabobank/ Reuser), omdat aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde al wel degelijk bevoegdheden zijn verbonden. Zo ook Schuijling 2017, p. 20. Dat betekent echter niet dat het eigendomsrecht al werking heeft. Het uitgangspunt is dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde geen werking heeft, zij het dat aan de eigenaar onder opschortende voorwaarde bepaalde bevoegdheden toekomen die ertoe strekken veilig te stellen dát het recht uiteindelijk werking zal verkrijgen. Vgl. ook Meijers 1948, p. 91, die opmerkt dat er bevoegdheden zijn verbonden aan een opschortend voorwaardelijk recht, zodat gesproken kan worden van een bestaand recht en dat daaraan niet afdoet dat bij een voorwaardelijk vorderingsrecht– vanwege de opgeschorte werking – nog geen verplichtingen bestaan van de schuldenaar. Dat is namelijk slechts ‘een incongruentie, maar geen onoverkomelijk bezwaar.’ Consequente doorvoering van de redenering van Faber en Kortmann zou tot gevolg hebben dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde in weerwil van de tekst van art. 6:22 BW geen verbintenis zonder werking is, omdat aan de voorwaardelijk schuldeiser voor vervulling van de voorwaarde reeds bepaalde bevoegdheden toekomen. Dat is vanzelfsprekend niet het geval.
Anders: Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 561-562 die deze bevoegdheden niet baseert op het voorwaardelijk eigendomsrecht, maar op het wilsrecht van de koper. Ook volgens Scheltema 2003, p. 359 zijn aan het ‘eigendomsverwachtingsrecht’ nog geen bevoegdheden verbonden. Zo ook Verstijlen 2007, p. 827.
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 895.
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185.
T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 153.
Vgl. MünchKomm-BGB/Westermann 1995, § 455 BGB, Rn. 47, die opmerkt dat de in de wet neergelegde Vorwirkungen ‘auf Grund der (…) Analogieschlüsse ausgebaut werden müssen, soweit ein berechtigtes Bedürfnis am Schutz des künftigen Vollrechts besteht.’ Anders: Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 561 en p. 581 die de voorwerkingen van een voorwaardelijke beschikking beperkt tot de splitsing van het eigendomsrecht en de bevoegdheden vóór vervulling van de voorwaarde baseert op de omstandigheid dat de koper de vervulling van de voorwaarde zelf in de hand heeft. Zoals in paragraaf 8.4.4 wordt betoogd, kun-nen uit de omstandigheid dat de koper de eigendomsverkrijging zelf in de hand heeft echter geen rechtsgevolgen worden afgeleid.
De vraag kan nog gesteld worden of een gebruiksrecht tot de Vorwirkungen behoort die onderdeel uitmaken van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Niet elke eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gaat namelijk gepaard met feitelijke macht over de zaak (zie hierna in voetnoot 400), terwijl het voor de mogelijkheid om door vervulling van de voorwaarde eigenaar te worden niet noodzakelijk is om ook de zaak te kunnen gebruiken. Vgl. Stoll 1967, p. 16. Wel dient op andere gronden – dus niet gebaseerd op de Vorwirkung – te worden aangenomen dat het gebruiksrecht een goederenrechtelijk karakter heeft. Voor het geval dat de koper de zaak van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen volgt dit uit de strekking van de bescherming van art. 3:86 BW. Zie hierna in paragraaf 8.5.1. Voor het geval dat de koper zijn voorwaardelijk eigendomsrecht heeft overgedragen aan een ander strookt dit met de belangenafweging bij een koop met eigendomsvoorbehoud. Zie hierna in paragraaf 8.9.5. Hetzelfde dient dan vervolgens te gelden in het geval dat de verkoper de voorbehouden eigendom overdraagt. Zie hierna in hoofdstuk 9, paragraaf 9.6.
Vgl. treffend A. Thon, Rechtsnorm und subjektives Recht, Weimar: Böhlau 1878, p. 328: ‘Ich vermag einen Stein eine Strecke weit zu werfen: aber Niemand wird sagen, dass mir der Stein erst die Kraft zum Werfen verlieh.’ Zie ook stelling 4 behorende bij het proefschrift van De Jong 2006: ‘Eigendom en beperkte rechten zijn de grondslag van de beschikkingsbevoegdheid in de zin van art. 3:84 lid 1 BW.’ Vgl. voorts Meijers 1948, p. 85: ‘De bevoegdheid om over de eigendom te beschikken is onderdeel van het eigendomsrecht.’
Doordat aan het eigendomsrecht een opschortende voorwaarde is verbonden, is het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een recht waaraan vooralsnog geen werking is verbonden.1 De aan het recht verbonden voorwaarde belet dat tot de vervulling van de voorwaarde dat het eigendomsrecht werkt (vgl. art. 6:22 BW). Daarmee laat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zich typeren als een sluimerend recht, terwijl het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde het ‘echte’ eigendomsrecht is, waaraan in beginsel alle eigenaarsbevoegdheden zijn verbonden.2 Hieruit blijkt dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in de eerste plaats een overbruggingsfiguur is, die ertoe strekt te waarborgen dat de koper door vervulling van de voorwaarde ook eigenaar wordt.
De kwalificatie als recht zonder werking moet evenwel niet worden overschat. Ondanks het feit dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde nog geen werking heeft, komen aan de eigenaar onder opschortende voorwaarde al wel bepaalde bevoegdheden toe.3 Dat aan een recht zonder werking reeds bepaalde bevoegdheden zijn verbonden oogt tegenstrijdig, maar laat zich verklaren door de Vorwirkung van de voorwaardelijke beschikking. Zoals hiervoor aan de orde kwam, is bij de totstandkoming van het huidige Burgerlijk Wetboek de constructie van de terugwerkende kracht verlaten en is daarvoor in de plaats – in navolging van het Duitse recht – een constructie gekomen waarbij de opschortend voorwaardelijke rechtshandeling terstond tot stand komt en slechts de werking is uitgesteld, gecombineerd met een zekere Vorwirkung. Zoals gezegd, laten zich onder het begrip Vorwirkung de rechtsgevolgen samenvatten die niet door de opgeschorte werking van de rechtshandeling worden getroffen. De hamvraag is natuurlijk op welke wijze moet worden vastgesteld welke rechtsgevolgen wÉl worden getroffen door de opgeschorte werking en welke rechtsgevolgen daardoor niet zijn opgeschort en dus reeds ‘voorwerken’.
Zoals hiervoor aan de orde kwam, ligt het antwoord op die vraag besloten in de tweeledige doelstelling van de voorwaardelijke rechtshandeling: enerzijds beogen partijen dat de werking van de rechtshandeling niet intreedt voordat de voorwaarde in vervulling gaat, maar anderzijds willen partijen ook dat die werking zonder meer intreedt zodra de voorwaarde vervuld wordt. De direct intredende rechtsgevolgen strekken ertoe te waarborgen dat de vervulling van de voorwaarde ook daadwerkelijk tot het door partijen beoogde gevolg leidt. Partijen laten zich in de regel niet uit over de terstond intredende rechtsgevolgen, zodat de wet nadere regels geeft over de situatie gedurende de periode van onzekerheid. De wet en de parlementaire geschiedenis laten zich over deze voorwerkingen vrijwel uitsluitend uit met betrekking tot voorwaardelijke verbintenissen. Zo merkt Meijers ten aanzien van degene die onder opschortend voorwaarde gerechtigd is op, dat hij gedurende de periode van onzekerheid ‘ongetwijfeld zekere bevoegdheden’ heeft.4 Elders in de Toelichting-Meijers valt te lezen dat een opschortend voorwaardelijke rechtshandeling eerst na vervulling van de voorwaarde haar volledig gevolg heeft en dat voordien ‘hoogstens conservatoire maatregelen’ mogelijk zijn.5 Blijkens de toelichting bij artikel 6:26 BW kan de voorwaardelijk schuldeiser voor vervulling van de voorwaarde alle middelen in het werk stellen die tot bewaring van zijn recht noodzakelijk zijn.6 Tot slot kan degene die onder opschortende voorwaarde tot iets is gehouden blijkens artikel 3:296 lid 2 BW onder die voorwaarde worden veroordeeld. Ook die bepaling strekt ertoe het toekomstig belang van de belanghebbende bij vervulling van de voorwaarde reeds voor vervulling van de voorwaarde te waarborgen.
Waar het aankomt op voorwaardelijke beschikkingen is de wetgever zwijgzamer. Enkel artikel 3:84 lid 4 BW kan, zoals hiervoor is betoogd, worden begrepen als een wettelijke bepaling die op goederenrechtelijk vlak waarborgt dat de door partijen getroffen afspraak ook daadwerkelijk het gewenste resultaat kan hebben. De bevoegdheden die zijn verbonden aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde liggen in het verlengde van de toekenning van het voorwaardelijk eigendomsrecht en hebben evenzeer de strekking de uiteindelijke eigendomsverkrijging te waarborgen.7 De onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging wordt namelijk niet alleen bedreigd door tussenbeschikkingen door de vervreemder, maar mogelijk eveneens door derden. Terwijl bij een voorwaardelijke verbintenis logischerwijs alleen conservatoire maatregelen mogelijk zijn jegens de wederpartij, wordt het beoogde rechtsgevolg bij een voorwaardelijke beschikking – vanwege het goederenrechtelijke karakter – evenzeer bedreigd door derden. De hierna nog te behandelen bevoegdheden die aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zijn verbonden, hebben alle een dergelijk conservatoir karakter, nu zij alle gericht zijn op het veilig stellen dat vervulling van de voorwaarde ook leidt tot het beoogde rechtsgevolg, namelijk de verkrijging van de onvoorwaardelijke eigendom.8
Zoals hierna aan de orde komt, kan de koper ook terstond beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Uit de mogelijkheid om direct te beschikken over het eigendomsrecht kan evenmin worden afgeleid dat dit recht al wel degelijk werking heeft. De mogelijkheid om over een recht te beschikken is namelijk geen uit dat recht voortvloeiende speciale bevoegdheid, maar is simpelweg gevolg van het feit dat men rechthebbende is van een overdraagbaar recht.9 Ook over rechten zonder werking kan derhalve worden beschikt, omdat de beschikkingsbevoegdheid niet berust op de werking van het recht zelf.