Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.4.4
8.4.4 Een wilsrecht?
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397338:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Harrer 1969, p. 42, H. Koziol, ‘Zu Fragen des Eigentumsvorbehaltes’, QuHGZ 1970, p. 73, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 562-563, Koziol 1984, p. 32, Rummel/Spielbüchler 2000, §§357-360 ABGB, Rn. 9, Rummel & Lukas/Rummel 2014, § 897 ABGB, Rn. 6, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 68, Struycken 2007, p. 569, voetnoot 257 en W.J.M. van Andel & M.E. ten Brinke in punt 14 van hun noot onder Hof ’s-Gravenhage 5 februari 2015, JOR 2015, 53. Ook in de Duitse literatuur wordt bij het Anwartschaftsrecht – al dan niet als verschijningsvorm van een Erwerbsrecht of Gestaltungsrecht – soms de nadruk gelegd op het feit dat de verkrijger de vervulling van de voorwaarde zelf teweeg kan brengen. Zie bijv. Von Tuhr 1910, p. 180, Blomeyer 1939, p. 169-170. Zie over de verhouding tussen Anwartschaftsrecht en Gestaltungsrecht uitgebreid Forkel 1962, p. 127-148.
Struycken 2007, p. 569, voetnoot 257.
Meijers 1948, p. 266. Zie ook G. W. Rupke, Wilsrechten (diss. Utrecht), Amsterdam: Kruyt 1914, p. 38, Suijling 1948, p. 103-104 en A.P. Timmermans, ‘Wilsrechten’, AA 1963-1964, p. 23.
Vgl. Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB. Rn. 37 en Rn. 53.
Ogenschijnlijk anders voor het Oostenrijkse recht Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 563-564 die slechts van een Anwartschaftsrecht lijkt te willen spreken wanneer de verwachter zelf in staat is de voorwaarde in vervulling te doen gaan. Vgl. echter Forkel 1962, p. 86-94 die terecht opmerkt dat (in ieder geval een aantal) rechtsgevolgen van een voorwaardelijke beschikking onafhankelijk van de wil van de verkrijger intreden.
Zowel in de Nederlandse alsook in de Duitse en Oostenrijkse literatuur wordt de rechtspositie van de koper geregeld gekwalificeerd als een wilsrecht.1 Van een wilsrecht pleegt men in het algemeen te spreken wanneer aan iemand de bevoegdheid toekomt om eenzijdig door een (wils)verklaring een verandering in een rechtsbetrekking tot stand te brengen. De rechtspositie van de koper onder eigendomsvoorbehoud zou binnen deze definitie van wilsrechten passen, omdat de koper het eenzijdig in zijn macht heeft om door betaling (onvoorwaardelijk) eigenaar van de verkochte zaak te worden. Door Struycken is de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud vergeleken met de rechthebbende van een toe- eigeningsrecht, dat meestal wordt gekwalificeerd als een wilsrecht.2
Van een wilsrecht is naar mijn mening echter geen sprake. Kenmerkend aan een wilsrecht is namelijk dat aan een persoon geheel vrijblijvend de keuze toekomt een bepaald rechtsgevolg al dan niet teweeg te brengen. Zo is volgens Meijers de kern van het wilsrecht gelegen in het ‘juridisch kunnen d.i. de bevoegdheid om door een wilsverklaring veranderingen in de rechtsbetrekkingen tot stand te brengen.’3 De eigenaardigheid van een wilsrecht is derhalve gelegen in de omstandigheid dat aan de persoon aan wie het wilsrecht toekomt de vrijheid wordt gelaten om het recht al dan niet uit te oefenen. Van een dergelijke vrijblijvendheid is bij een koop onder eigendomsvoorbehoud echter geen sprake. Doordat dikwijls de nadruk wordt gelegd op het feit dat de koper eenzijdig is staat is om door voldoening van de verschuldigde prestatie de eigendomsverkrijging te bewerkstelligen, vergeet men welhaast dat de koper in de eerste plaats verplicht is de verschuldigde prestatie te voldoen.4 Van een aan wilsrechten inherente vrijblijvendheid is derhalve in het geheel geen sprake. Weliswaar kan de koper besluiten om, in weerwil van diens contractuele verplichting, de verschuldigde prestatie niet te voldoen, maar dat doet geen afbreuk aan het feit dat hij daartoe wel verplicht is. Bovendien kan hij daardoor niet voorkomen dat de verkoper alsnog de nakoming verkrijgt, bijvoorbeeld doordat hij door executie nakoming afdwingt of doordat een derde – binnen de grenzen van artikel 6:30 BW – de verschuldigde prestatie voldoet. Ook in die gevallen groeit het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper uit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht, zodat deze eigendomsverkrijging niet kan worden teruggevoerd op een aan de koper toekomend wilsrecht.
Bovendien is niet bij elke overdracht onder opschortende voorwaarde sprake van een situatie waarin de verkrijger het zelf in de hand heeft om vervulling van de voorwaarde teweeg te brengen. De positie van de verkrijger is echter bij elk type overdracht onder opschortende voorwaarde, onverschillig of de verkrijger invloed kan uitoefenen op de vervulling van de voorwaarde, hetzelfde: hij heeft een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde; artikel 3:84 lid 4 BW onderscheidt niet al naar gelang het type voorwaarde dat aan de overdracht ten grondslag ligt.5