De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.5:6.5 Verwijzing naar de zitting in de vonnissen
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.5
6.5 Verwijzing naar de zitting in de vonnissen
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174149:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In negen gevallen volgde na een geobserveerde zitting een eindvonnis van de rechtbank als sluitstuk van de procedure.1 Acht vonnissen vermelden dat ‘het verloop van de procedure [mede blijkt] uit het proces-verbaal van de comparitie van (datum)’, dan wel ‘uit de op (datum) gehouden pleidooien’ dan wel ‘uit de mondelinge behandeling van het deskundigenbericht (zonder datum)’. In één vonnis wordt met geen woord van de zitting gerept.
Uit de vier comparitievonnissen blijkt het volgende. In een van deze vonnissen vermeldt de rechtbank alleen dat tijdens de zitting de eis werd gewijzigd. In een ander vonnis wordt diverse malen gewag gemaakt van verklaringen van eiser. In het derde comparitievonnis wordt de eiser geciteerd waar hij ter zitting een onderbouwing gaf van zijn vordering. Ook wordt erin verwezen naar twee andere verklaringen van eiser. Uit het vierde vonnis blijkt dat de rechtbank de partijbedoelingen heeft geïnterpreteerd ‘[u]it de tekst van de schuldbekentenis, gelezen in samenhang met de hypotheekakte, en hetgeen partijen over de bedoeling en totstandkoming daarvan ter zitting hebben verklaard.’ In dit vonnis heeft de rechtbank ook de verklaring van eiser opgenomen waarom hij zijn verweer niet uitdrukkelijk een eis in reconventie heeft genoemd (zie paragraaf 6.4.2).
De vonnissen na pleidooien tonen het volgende beeld. In een van de vonnissen wordt zes maal naar een gebeurtenis ter zitting verwezen, waarvan drie maal naar een verklaring van eiser. De andere drie verwijzingen betreffen een verzoek tot vermeerdering van de eis in pleidooi, een ter zitting geuite klacht van gedaagde over het gebrek aan onderbouwing van de vordering van eiser, en een verwijzing van eiser naar producties die bij pleidooi zijn ingebracht. In een ander vonnis na pleidooi heeft de rechtbank twee verklaringen weergegeven: een van eiser en een van gedaagde. In de andere twee vonnissen wordt niet aan de zitting gerefereerd.
In het eindvonnis dat volgde na het deskundigenverhoor verwijst de rechtbank tweemaal naar de mondelinge verklaringen van de deskundige. De eerste keer wordt aan de zitting gerefereerd omdat de deskundige tijdens de mondelinge behandeling zijn standpunt had verduidelijkt; de tweede keer omdat door de uitleg van de deskundige de rechtbank tot het oordeel kwam dat er geen sprake was van een uitzonderlijke situatie.
De vonnissen verschillen dus in de mate waarin naar de zitting wordt verwezen, maar niet zozeer in de inhoud van de verwijzingen. Als er wordt verwezen, gebeurt dat meestal naar een voor het rechterlijk oordeel niet-doorslaggevende verklaring die een partij ter zitting heeft gedaan. Dit geldt zowel voor de comparitie- als voor de pleitzittingsvonnissen. Deze bevindingen betekenen echter niet dat de zitting geen invloed op het rechterlijk oordeel heeft gehad en nog minder dat de zitting zinloos is. Wel valt eruit te concluderen dat wat de rechters ter zitting is gebleken en hun oordeel heeft beïnvloed niet noodzakelijkerwijs expliciet terugkomt in het vonnis.
Marseille deed eerder een vergelijkbare constatering. Zijn studie richtte zich op zittingen in bestuursrechtelijke zaken, waarin net als in civiele zaken schriftelijke informatie-uitwisseling centraal staat. Hij stelde vast dat in zijn onderzoek niet of nauwelijks uitspraken voorkwamen waaruit bleek dat wat ter zitting is voorgevallen van beslissende invloed was geweest op het uiteindelijke oordeel van de rechter. Wellicht waren er zittingen die substantiële invloed hebben op de beslissing van de rechter hebben gehad, zo schrijft hij, maar dat is niet uit de bijbehorende uitspraak af te leiden.2